Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
07-6055 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldige medische voorbereiding. Geen objectief medische aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De arbeidsdeskundige heeft op een duidelijke en toereikende wijze toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanuit medisch oogpunt voor appellante geschikt zijn. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn berekend op de bekwaamheden van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6055 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 september 2007, 06/9397 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft C. Moorman hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 13 oktober 2006 - waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar, heeft gehandhaafd zijn besluit de WAO-uitkering van appellante per 21 juni 2006 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% - ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat sprake is van een onvoldoende zorgvuldige medische voorbereiding en zij medisch meer beperkt is dan aangenomen. In het bijzonder is gesteld dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij de voorgehouden functies gezien haar fysieke staat en opleiding niet kan vervullen.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. De Raad is van oordeel dat aan het besluit van 13 oktober 2006 een zorgvuldige medische voorbereiding ten grondslag ligt. De Raad overweegt hiertoe dat appellante is gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts en het rapport van de verzekeringsarts getuigt van een uitgebreid onderzoek naar de klachten en beperkingen van appellante. Gelet op de aard van de klachten heeft de verzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht afgezien van het verrichten van specifiek lichamelijk onderzoek. Voorts hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts deugdelijk gemotiveerd waarom het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding niet noodzakelijk was aanvullend informatie in te winnen bij de behandelend sector dan wel ander aanvullend onderzoek te verrichten. De verzekeringsartsen van het Uwv konden op grond van de hun ter beschikking staande gegevens tot een verantwoorde oordeelsvorming komen.

3.3. De Raad ziet voorts geen objectief medische aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat, zoals deze zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 januari 2006. Het standpunt van appellante dat een urenbeperking op de datum in geding is aangewezen, vindt geen grondslag in de medische gegevens. De Raad kan zich vinden in de door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 10 april 2008 op dit punt gegeven toelichting. De Raad voegt hieraan toe dat appellante geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat meer dan wel verdergaande beperkingen voor het verrichten van arbeid hadden moeten worden aangenomen.

3.4. De Raad overweegt vervolgens dat met de rapportage van de arbeidsdeskundige van 12 april 2006 en de aanvulling hierop in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 januari 2007 op duidelijke en toereikende wijze is toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanuit medisch oogpunt voor appellante geschikt zijn. De Raad voegt hieraan toe dat voor zover er in de aan de schatting ten grondslag liggende functies eisen ten aanzien van aanvullende scholing worden gesteld, niet valt in te zien dat appellante daartoe vanuit medisch oogpunt niet in staat kan worden geacht. De Raad is verder van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn berekend op de bekwaamheden van appellante.

4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL