Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-6064 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Het medische onderzoek heeft op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Van een excessief ziekteverzuimrisico op werkdagen dat met zich brengt dat van een werkgever tewerkstelling van appellante niet in redelijkheid kan worden verlangd, kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6064 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 september 2007, 07/926 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Mr. N.J. Hos, advocaat te Amersfoort, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hos en S. Sevük-Omür als tolk. Voor het Uwv is verschenen mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het Uwv de aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer berekende WAO-uitkering per 3 augustus 2006 ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

2. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 juni 2006 gegrond verklaard en de WAO-uitkering per 3 augustus 2006 onveranderd voortgezet, doch de WAO-uitkering per 15 april 2007 ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 27 februari 2007 (voor zover daarbij de WAO-uitkering per 15 april 2007 is ingetrokken) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - het volgende overwogen.

3.2. Op grond van de medische stukken bestaat geen aanleiding te oordelen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante hebben overschat. Hun onderzoek voldoet aan de in acht te nemen eisen van zorgvuldigheid. Inzichtelijk is gemaakt hoe hun bevindingen tot stand zijn gekomen. Niet aannemelijk is dat er bij appellante sprake is van klassieke migraineuze hoofdpijn; de bezwaarverzekeringsarts ziet in de verklaring van de neuroloog (zoals die is opgenomen in het door appellante bij brief van 30 juli 2007 overgelegde journaal van de huisarts van 30 mei 2007), die recentelijk geen afwijkingen heeft geconstateerd, daarvoor de bevestiging. Er is sprake van een normale nekfunctie. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek geen hypertonie van de nekmusculatuur gevonden.

3.3. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de (in de bezwaarfase) aan de (tot de intrekking per toekomende datum, met inachtneming van een nieuwe uitlooptermijn, geleid hebbende) schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Waar sprake is van overschrijding van de in de FML aangegeven belastbaarheid van appellante op een aspect van een bepaald onderdeel, heeft de rechtbank afdoende toegelicht geacht dat deze ten gevolge van compensatie op een ander aspect van hetzelfde onderdeel (bij voorbeeld veelvuldiger reiken dan in de FML als maximum is aangegeven, maar minder ver dan daarin als maximum is aangegeven) aanvaardbaar is.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het voor haar onbegrijpelijk blijft dat er tot aan 15 april 2007 niet, maar per die datum ineens wel voldoende functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd, terwijl haar medische beperkingen per die datum gelijk zijn gebleven dan wel (veeleer) nog verder zijn af(lees: toe-)genomen. Voorts heeft appellante gesteld dat haar medische belastbaarheid is overschat. Ten onrechte is voorbij gegaan aan de permanent aanwezige, zich met grote regelmaat voordoende en met migraine vergelijkbare hoofdpijn met uitstraling naar de rechterkant van haar lichaam. Tevens heeft zij last van haar nek (hypertonie van de nekspieren) en haar schouders die evenmin tijdelijk van aard is. Tevens heeft appellante gesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies haar belastbaarheid te boven gaan en dat ten onrechte geen of onvoldoende rekening is gehouden met het hoge verzuimrisico ten gevolge van haar hoofdpijnklachten.

5. In verweer heeft het Uwv in navolging van de bezwaarverzekeringsarts naar voren gebracht dat appellante niet de bij een klassieke migraine passende kenmerkende symptomen heeft, dat het waarschijnlijk(er) is dat zij lijdt aan spanningshoofdpijn dan wel medicatiegerelateerde hoofdpijn, dat er rekening is gehouden met de hoofdpijnklachten en dat die klachten niet zodanig ernstig zijn dat er geen medische restcapaciteit is.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De grief van appellante dat per 15 april 2007 wel ineens functies waren te duiden, faalt. In zijn rapport van 13 februari 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige uiteengezet dat de bij raadpleging van het CBBS op 7 februari 2007 gevonden functies (die later aan de schatting per 15 april 2007 ten grondslag zijn gelegd) niet voldoende in “het verlengde” liggen van de in de primaire fase geduide functies, zodat rekening moet worden gehouden met een nieuwe aanzegging en uitlooptermijn. Daarom ook is appellante bij het besluit op bezwaar van 27 februari 2007 nader per 3 augustus 2006 onveranderd volledig arbeidsongeschikt bevonden, doch per datum (toen) in de toekomst, 15 april 2007, niet meer. Het door het Uwv in de beroepsfase bij de rechtbank ingediende verweerschrift van 18 april 2007 bevat een afdoende verklaring.

6.3. Het geschil is overigens - ook wat de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies betreft - toegespitst op en beperkt tot de medische kant van de zaak. De Raad zal zich dan ook verder tot een beoordeling daarvan beperken.

6.4. Uitgangspunt is de FML zoals die op 8 maart 2006 is vastgesteld door de primaire verzekeringsarts, nadat zij appellante daags tevoren op haar spreekuur had gezien en gesproken. Vanwege de bij het Uwv bekende medische voorgeschiedenis (appellante is bij het Uwv bekend sinds haar aanvraag om een WAO-uitkering, welke - uiteindelijk - per 7 oktober 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is toegekend) heeft zij van nader lichamelijk onderzoek afgezien, maar wel uit oogpunt van zorgvuldigheid de huisarts gevraagd om inlichtingen te vestrekken. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellante ter hoorzitting op 19 oktober 2006 gezien en gesproken. In aansluiting op de hoorzitting heeft hij appellante onderzocht en gegevens opgevraagd bij de huisarts die deze ook heeft verstrekt. Vervolgens is hij, na de door de primaire verzekeringsarts op 8 maart 2006 vastgestelde FML te hebben vergeleken met de op 23 december 2003 vastgestelde FML en de verschillen daartussen te hebben besproken, gekomen tot de conclusie dat de op 8 maart 2006 opgestelde FML geen aanpassing behoeft. Onder deze omstandigheden kan niet anders dan worden gesproken van een zorgvuldig medisch onderzoek. Evenmin als de rechtbank vermag de Raad in te zien dat bij de vaststelling van de FML op 8 maart 2006 de belastbaarheid van appellante is overschat. De in beroep en in hoger beroep door appellante ingebrachte, van de huisarts afkomstige medische gegevens - voor zover betrekking hebbend op de datum thans in geding (15 april 2007) - geven onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Met de door appellante in hoger beroep benadrukte nek-, schouder- en hoofdpijnklachten - voor welke laatste de neuroloog na onderzoek geen verklaring heeft kunnen vinden - is in de FML voldoende rekening gehouden.

6.5. In het rapport van de primaire verzekeringsarts van 8 maart 2006 is vermeld dat appellante heeft verklaard dat zij - naast maandelijks hoofdpijn - tweemaal, soms driemaal, per maand zwaardere hoofdpijnaanvallen heeft. Ter hoorzitting op 19 oktober 2006 heeft appellante melding gemaakt van meerdere malen per maand telkens enkele dagen durende migraineaanvallen en op andere dagen altijd hoofdpijn. Voor die verergering is in de met name door de huisarts verstrekte gegevens geen bevestiging te vinden. Van een excessief ziekteverzuimrisico op werkdagen dat met zich brengt dat van een werkgever tewerkstelling van appellante niet in redelijkheid kan worden verlangd, kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak (voorzover aangevochten) dient dan ook te worden bevestigd.

8. Voor vergoeding van proceskosten zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL