Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
07-6475 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid wegens ziekte. In het thans aan de orde zijnde geding kan geen oordeel worden gegeven over de vraag of de ongeschiktheid van appellante er een is: “in en door de dienst”. Aangezien het bestreden ontslagbesluit daarover niet handelt en ook niet behoeft te handelen, zou de Raad daarmee treden buiten de grenzen van het geding. Het is eerst aan het college om te beoordelen of er sprake is van ongeschiktheid “in en door de dienst” en welke gevolgen dat voor de bezoldiging c.q. uitkering van appellante heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6475 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 oktober 2007, 06/774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: college)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot G. Bruins. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.K. Linthout en drs. L.J. Bosdijk, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen, alsmede door A.A. Flikkema.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was werkzaam bij de gemeente Groningen in de functie van secretaresse, laatstelijk vanaf 11 januari 1999 bij de directie Personeel en Organisatie van de Bestuursdienst voor 18 uur per week. Op 11 oktober 1999 heeft zij zich ziek gemeld vanwege RSI-klachten. Op verzoek van het college heeft de USZO op 29 augustus 2001 een functieongeschiktheidsadvies (FOA) uitgebracht en meegedeeld dat appellante naar verwachting binnen zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum niet meer op medische gronden ongeschikt zal zijn voor de functie van secretaresse. Vervolgens zijn diverse re-integratietrajecten ingezet, maar geen van deze trajecten heeft tot een terugkeer van appellante in de functie geleid.

1.2. Het college heeft bij brief van 22 juli 2004 appellante in kennis gesteld van het voornemen haar wegens arbeidsongeschiktheid te ontslaan met ingang van 1 maart 2005. Het UWV heeft op 13 september 2004 een FOA uitgebracht, waarin tot ongeschiktheid van appellante is geconcludeerd op de voorgenomen ontslagdatum en de verwachting is geuit dat appellante ook nog ongeschikt zal zijn zes maanden na die datum. Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het college appellante met ingang van 1 maart 2005 ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie wegens ziekte. Het bezwaar van appellante tegen het ontslagbesluit is bij het bestreden besluit van 11 april 2006 ongegrond verklaard. Het UWV heeft bij besluit op bezwaar van 2 maart 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 8 mei 2003 verhoogd van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80, naar een percentage van 80 tot 100.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat het college de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank heeft verder de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. Appellante heeft in hoger beroep het instandlaten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit betwist. Het college heeft bepleit dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

3.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand heeft gelaten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de in artikel 8.5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Groningen (ARG) gestelde voorwaarden voor medisch ontslag is voldaan en het college bevoegd was appellante op die grond te ontslaan. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank op dit punt en verenigt zich daarmee.

3.2. Appellante betwist niet dat er sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte en evenmin dat er voor haar geen andere functie binnen de gemeente Groningen beschikbaar is. Zij stelt zich op het standpunt dat zij niet mag worden ontslagen wegens ziekte zolang geen onderzoek naar ongeschiktheid “in en door de dienst” heeft plaatsgevonden.

3.3. De Raad overweegt dat in de ARG geen bepaling is opgenomen, die het college verplicht een dergelijk onderzoek te verrichten voordat het college gebruik kan maken van de bevoegdheid een ambtenaar te ontslaan wegens ziekte. Hetgeen appellante in dit verband naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.4. De Raad merkt ten slotte op dat in het thans aan de orde zijnde geding geen oordeel kan worden gegeven over de vraag of de ongeschiktheid van appellante er een is: “in en door de dienst”. Aangezien het bestreden ontslagbesluit daarover niet handelt en ook niet behoeft te handelen, zou de Raad daarmee treden buiten de grenzen van het geding. Het is eerst aan het college om te beoordelen of er sprake is van ongeschiktheid “in en door de dienst” en welke gevolgen dat voor de bezoldiging c.q. uitkering van appellante heeft.

4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD