Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-5187 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. De Raad is met het Uwv van oordeel dat er voldoende informatie aanwezig was om tot een afdoende en zorgvuldig overwogen medische onderbouwing te komen van het bestreden besluit. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd wegens een gebrek in het medisch onderzoek. De aangevallen uitspraak dient derhalve vernietigd te worden. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor genoemde vastgestelde beperkingen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5187 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2007 02/1865 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellant was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft bij besluit van 21 maart 2002 (bestreden besluit) – beslissend op bezwaar – de WAO-uitkering van betrokkene welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 29 maart 1998 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij in navolging van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige psychiater J. Rübsaam geoordeeld dat het destijds door de verzekeringsartsen van appellant verrichte medische onderzoek onzorgvuldig is geweest doordat is nagelaten een deskundige in te schakelen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de gevolgen hiervan voor risico van appellant moeten komen. De rechtbank heeft vervolgens het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 14 oktober 1999 herroepen.

3. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat de deskundige Rübsaam bij betrokkene geen anamnese heeft kunnen afnemen, maar uitsluitend is afgegaan op hetgeen de begeleider heeft gezegd. Het onderzoek van de deskundige is dan ook onvolledig en onzorgvuldig. Appellant is voorts van mening dat een nader psychiatrisch onderzoek niet nodig was gelet op het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts en de informatie van de behandelend psychiaters.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellant heeft betrokkene in verband met psychische klachten met ingang van 30 mei 1997 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.3. In het kader van de onderhavige herziening heeft de primaire verzekeringsarts

W. Ebbelaar geconcludeerd dat bij betrokkene onder meer sprake is van een aanpassingsstoornis en dat betrokkene belastbaar wordt geacht voor algemeen geaccepteerde arbeid. Betrokkene is onder meer beperkt geacht voor stresserende werkzaamheden, voor werkzaamheden onder tijdsdruk, conflicthantering en op het punt van persoonlijk risico. Deze beperkingen zijn vastgelegd in het belastbaarheidspatroon van 29 december 1997.

4.4. Voorafgaand aan de vaststelling van deze medische beperkingen heeft deze verzekeringsarts betrokkene in 1997 twee maal gezien, het laatst op 29 december 1997. Bij die gelegenheid heeft de verzekeringsarts bij betrokkene een anamnese afgenomen en betrokkene lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts beschikte daarnaast onder meer over de in het kader van de eerder in 1997 verrichte onderzoeken opgevraagde informatie van de huisarts van betrokkene, C.M.J.A. Mostart, van 7 juli 1997, met daarin informatie afkomstig van de neuroloog H.K. van Walbeek van 15 augustus 1996 en psychiater A. Lisei van 8 augustus 1996, bij wie betrokkene van augustus 1996 tot september 2000 onder behandeling was. Blijkens de informatie van psychiater Lisei was met betrekking tot betrokkene sprake van een hyperesthetisch emotioneel syndroom bij een neurasthene man naar aanleiding van existentiële problemen en problemen in het werk en in de relatie. De neuroloog Van Walbeek heeft geen neurologische afwijkingen gevonden en constateerde verder dat sprake was van theatraal gedrag. In de rapportage van 10 juli 1997 / 6 augustus 1997 heeft de verzekeringsarts ter zake aangegeven dat betrokkene consistent gedrag laat zien. Het is zeer aannemelijk dat betrokkene simuleert. Een nader psychiatrisch onderzoek heeft de verzekeringsarts niet nodig geacht.

4.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op 2 oktober 2001 dossieronderzoek verricht en daarbij nieuwe informatie van huisarts F. Helwegen van 5 april 2001 meegenomen met daarin opgenomen tevens informatie van psychiater R.C. van Driel van 19 juli 2000 die betrokkene op 20 oktober 1999 heeft onderzocht. Deze psychiater heeft daarnaast bij betrokkene een onderzoek laten afnemen door psycholoog R. Robbesom, verricht op 25 januari 2000, en komt op basis hiervan tot de conclusie dat er zeer waarschijnlijk sprake is van een dysfore, mogelijk reeds langdurig geagiteerde depressieve man, die in Nederland volkomen is vastgelopen. Van Driel stelt vervolgens dat sprake is van een dysthyme stoornis. De bezwaarverzekeringsarts bevestigt op basis hiervan de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen en acht een aanvullend onderzoek door een psychiater niet nodig.

4.6. De Raad is met appellant van oordeel dat er met de hiervoor weergegeven informatie - mede gelet op de overige (medische) informatie in het dossier – voldoende informatie aanwezig was om tot een afdoende en zorgvuldig overwogen medische onderbouwing te komen van het bestreden besluit. De psychiaters Lisei en Van Driel spreken elkaar niet tegen, de door hen gestelde diagnoses zijn weliswaar niet gelijk maar liggen op één lijn. In zoverre kan de Raad de bezwaarverzekeringsarts volgen waar deze stelt dat een nieuw psychiatrisch onderzoek niet tot meer inzicht zal leiden in de belastbaarheid van betrokkene maar hooguit een andere diagnose zal opleveren. De Raad neemt voorts in aanmerking dat gelet op de uit de diverse medische stukken blijkende beschrijving van het gedrag van betrokkene de opvatting van de verzekeringsarts Ebbelaar dat tevens sprake is van simulatie bij betrokkene kan worden gevolgd.

4.7. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd wegens een gebrek in het medisch onderzoek. De aangevallen uitspraak dient derhalve vernietigd te worden.

5.1. De Raad ziet voorts geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor genoemde vastgestelde beperkingen. Betrokkene heeft geen medische onderbouwing overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij meer dan wel anders beperkt is dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. De in hoger beroep overgelegde informatie van psychiater R.W.F.M. van Ewijk van 26 maart 2007 waarin gesproken wordt van een gegeneraliseerde angststoornis en aanpassingsstoornis werpt geen ander licht op de zaak, nog daargelaten het feit dat deze informatie van ver na datum in geding is.

5.2. Met betrekking tot de geduide functies van monteur koffiezetters, vouwster en medewerker beddencentrale ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts verwoord in zijn rapportage van 2 oktober 2001 dat deze de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijden. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 3 oktober 2001 met betrekking tot het voor betrokkene gestelde opleidingsniveau op niveau 2. De geduide functies zijn derhalve ook in dat opzicht geschikt te achten voor betrokkene.

5.3. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het inleidend beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard moet worden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 maart 2002 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

TM