Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
07-2914 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Het Uwv heeft toereikend gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de grenzen van de vastgesteldeFML niet te buiten gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2914 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 april 2007, 06/2240 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 29 september 2006 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij dit besluit is de aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende WAO-uitkering per 21 juni 2006 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het besluit van 29 september 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en beslist over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 29 september 2006 wel op een juiste medische grondslag, maar niet op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. Dit laatste is het geval, omdat niet voldoende is toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is in de beroepsfase alsnog een deugdelijke toelichting verstrekt op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch gezien passend zijn voor appellante. De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 september 2006 in stand zijn gelaten. Appellante heeft zich in hoger beroep – evenals in beroep – op het standpunt gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en zij medisch niet geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Daarnaast stelt appellante zich op het standpunt dat op grond van haar klachten een groot verzuimrisico te verwachten is.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Wat betreft de medische grondslag is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, onvoldoende grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts in acht genomen medische beperkingen van appellante, als neergelegd in de FML van 4 december 2006. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake, waaraan hij het volgende toevoegt. In de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 12 september 2007 heeft de Raad geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante per 21 juni 2006 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. De Raad overweegt verder dat het gegeven dat er bij medische beoordelingen in het verleden meer beperkingen zijn aangenomen dan thans, evenmin twijfel oproept aan de juistheid van de medische grondslag van het besluit van 29 september 2006. De Raad merkt in dit verband op dat appellante voorafgaande aan de thans aan de orde zijnde herbeoordeling laatstelijk begin 1997 op het spreekuur van een verzekeringsarts is gezien en beoordeeld.

4.3. Wat betreft de arbeidskundige onderbouwing van het besluit van 29 september 2006 is de Raad van oordeel dat het Uwv met de rapportages van de arbeidsdeskundige F. Luijkx van 7 april 2006 en de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper van 7 december 2006 inzichtelijk en toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de grenzen van de vastgestelde, en hiervoor niet onjuist bevonden, FML niet te buiten gaan. Appellante moet dan ook medisch gezien in staat worden geacht tot het verrichten van de aan die functies verbonden werkzaamheden.

4.4. Voor de stelling van appellante dat op grond van haar klachten een excessief ziekteverzuim te verwachten valt, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten in de beschikbare gedingstukken.

5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL