Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
07-5953 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen aanleiding om de vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te achten. Er is geen informatie van de behandelend sector overlegd waaruit blijkt van ernstiger beperkingen. Op de datum in geding was geen sprake van toegenomen beperkingen. Door het Uwv is voldoende gemotiveerd dat de functies in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5953 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 september 2007, 06/5346

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. de Vries-Mulder, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Voor appellant is

mr. De Vries-Mulder voornoemd verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door B. de Weijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 mei 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 18 mei 2006 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.

1.3. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de datum van intrekking van de uitkering is verschoven naar 1 november 2006. Dit is het gevolg van het feit dat in de bezwaarprocedure bleek dat één van de aan appellant voorgehouden functies moest komen te vervallen en dat daar een andere functie voor in de plaats is gekomen. Daarom is een nieuwe uitlooptermijn voor het beëindigen van de uitkering in acht genomen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid en dat appellant op de in geding zijnde datum 1 november 2006 in staat moest worden geacht om de aan hem voorgehouden functies te vervullen.

3. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant veelvuldig last heeft van hoofdpijn, duizeligheid en rugpijn en last van zijn enkel. Daarnaast heeft hij een hooikoorts-allergie. Hij heeft concentratieproblemen en is niet in staat te zitten (langer dan een enkel moment) en te staan. Ook tillen levert voor hem problemen op. Deze beperkingen zijn zodanig dat appellant betwist dat hij de geduide functies kan vervullen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De verzekeringsarts J. van Asselt heeft appellant op 30 november 2005 onderzocht. Voorts heeft zij informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. Deze heeft in een brief van 7 februari 2006 aangegeven dat appellant een probleem heeft aan de linkerenkel waardoor lopen en staan beperkt zijn. Voor zijn allergie krijgt hij desensibilisatieinjecties op voorschrift van de dermatoloog. Deze lijken wel effect te hebben. Voor de hoofdpijn en duizeligheidsklachten heeft de neuroloog geen organisch substraat kunnen aantonen. Kenmerkend volgens de huisarts is dat er sprake is van aggravering en een sterke somatisatie van de klachten om problemen op te lossen. De verzekeringsarts heeft uit haar eigen onderzoek en de brief van de huisarts geconcludeerd dat er een grote discrepantie is tussen de geclaimde klachten en de objectiveerbare bevindingen bij het onderzoek. Alleen de enkelklachten en de allergische klachten zijn te objectiveren. Hiervoor zijn beperkingen aangenomen in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst. In verband met de mogelijke duizeligheidsklachten is aangegeven dat appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Voorts is hij beperkt ten aanzien van het frequent hanteren van zware lasten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de conclusies van de primaire verzekeringsarts onderschreven.

4.2. De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanleiding om de vastgestelde belastbaarheid onjuist te achten. Er is geen informatie van de behandelend sector overlegd waaruit blijkt van ernstiger beperkingen. Appellant is op 1 september 2006 geopereerd aan zijn enkel. Ter zitting van de rechtbank is verklaard dat het herstel van de operatie zes weken heeft geduurd en dat de situatie daarna weer hetzelfde was als voorheen omdat de operatie niet tot verbetering heeft geleid. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat er op de datum in geding 1 november 2006 geen sprake was van toegenomen beperkingen.

4.3. De schatting is uiteindelijk gebaseerd op de functies productiemedewerker metaal (sbc code 111171), medewerker tuinbouw (sbc code 111010) en productiemedewerker industrie (sbc code 111180). Naar het oordeel van de Raad is door het Uwv voldoende gemotiveerd dat de functies in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende belastbaarheid.

4.4. Ter zitting van de Raad is door partijen opgemerkt dat appellant behoort tot de categorie 45- tot 50-jarigen voor wie geldt dat een nieuwe beoordeling moest plaatsvinden aan de hand van het Schattingsbesluit zoals dat tot 1 oktober 2004 gold. Dit is ook gebeurd en heeft er toe geleid dat appellant vanaf 22 februari 2007 weer voor een volledige WAO-uitkering in aanmerking is gebracht. De gemachtigde van het Uwv heeft toegelicht dat dit uitsluitend was gebaseerd op arbeidskundige gronden. Door appellant is dit niet weersproken. De Raad concludeert hieruit dat het feit dat met ingang van 22 februari 2007 weer een volledige WAO-uitkering is toegekend, geen betekenis heeft voor de schatting per 1 november 2006.

4.5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR