Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
07-2950 AW + 07-5610 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering op de verzoeken van appellanten om de bezoldiging aan te passen aan de zwaarte van hun functie. De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat de werkzaamheden van appellanten het gehele bereik van de (beoogde) groepsfunctie betreffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2950 AW

07/5610 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant 1],

en

[appellant 2], (hierna: appellanten),

tegen, respectievelijk:

de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 april 2007, 06/1003,

en,

de uitspraak van de rechtbank Assen van 15 augustus 2007, 06/581 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd - plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant [appellant 1] is verschenen, bijgestaan door mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat te ’s-Gravenhage. Appellant [appellant 2] is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Boerma, regiojurist bij FNV Abvakabo. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer en drs. R.A.G. in ’t Veld, beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn werkzaam als medewerker waardeonderzoek bij de Belastingdienst Randmeren kantoor Zwolle. Deze functie is ingedeeld in groepsfunctie E.

1.2. Bij brieven van 1 juni 2000 hebben appellanten de staatssecretaris verzocht hun bezoldiging in overeenstemming te brengen met de zwaarte van hun functie. Zij beoogden hiermee dat hun functie wordt ingedeeld in groepsfunctie F.

1.3. Bij besluiten van 11 augustus 2004 heeft de staatssecretaris de verzoeken van appellanten afgewezen. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat appellanten werkzaamheden verrichten tot en met het zwaarste niveau van de groepsfunctie F en de werkzaamheden voor meer dan 50 % bestaan uit de werkzaamheden in fase 3 van de groepsfunctie F. De staatssecretaris heeft voorts gesteld dat appellanten niet hebben aangetoond dat ieders functie hoger ingedeeld en bezoldigd moet worden. Daartegen hebben appellanten bezwaar gemaakt.

2. In het kader van de bezwaarprocedure is door appellanten een beschrijving gemaakt van de door hen verrichte feitelijke werkzaamheden. Deze beschrijving is vastgesteld bij besluit van 26 april 2005. Daartegen hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend. De staatssecretaris heeft vervolgens twee deskundigen ingeschakeld om de door appellanten beschreven werkzaamheden te waarderen. In een rapport van 14 juni 2005 hebben zij geconcludeerd dat er geen elementen in de beschrijving zijn aangetroffen die indeling in groepsfunctie F rechtvaardigen. Bij de bestreden besluiten van 14 maart 2006 heeft de staatssecretaris de besluiten van 11 augustus 2004 gehandhaafd.

3. De rechtbanken hebben bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad is van oordeel dat de bestreden besluiten een antwoord zijn op de verzoeken van appellanten om de bezoldiging aan te passen aan de zwaarte van hun functie en niet, zoals de rechtbanken ten onrechte hebben geoordeeld, op verzoeken om herwaardering van de organieke functie. Naar het oordeel van de Raad hebben de rechtbanken bij de beoordeling van de bestreden besluiten dan ook een onjuiste toets gehanteerd. Gelet op de hierna volgende overwegingen ziet de Raad echter geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraken.

4.2. Blijkens de hier toepasselijke regelgeving, weergegeven in de aangevallen uitspraken, kunnen appellanten aanspraak maken op bezoldiging volgens de aan groepsfunctie F verbonden salarislijn als aan hen structureel werkzaamheden van die groepsfunctie zouden zijn opgedragen. Om daarvan te kunnen spreken is onder meer vereist dat die werkzaamheden het hele bereik van de groepsfunctie F betreffen en met het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot de zogeheten fasen twee en drie van die functie ten minste 50% van de werktijd is gemoeid.

4.3. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat de werkzaamheden van appellanten het gehele bereik van de groepsfunctie F betreffen. Dit leidt de Raad onder andere af uit de rapportage waarde-onderzoek uit 1999 waarin is verwoord dat de reguliere taxatie-werkzaamheden een taak blijven voor de functionarissen op het niveau van groepsfunctie E. Ook de door appellanten opgemaakte en bij besluit van 26 april 2005 vastgestelde beschrijving van de feitelijke werkzaamheden leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij acht de Raad tevens van belang dat de staatssecretaris ter zitting aan de hand van stukken heeft verklaard dat deze beschrijving nauwelijks afwijkt van de beschrijving van de groepsfunctie E uit 1998, reden waarom de staatssecretaris indeling in groepsfunctie F niet aangewezen achtte. Voorts is naar het oordeel van de Raad het feit dat appellanten eveneens waardeonderzoeken verrichten die zeer complex zijn, onvoldoende voor het oordeel dat indeling van het totaal van de werkzaamheden in groepsfunctie F gerechtvaardigd is. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellanten voor begeleiding en ondersteuning bij hun werkzaamheden een beroep kunnen doen op de F- en I-functionarissen die als vraagbaak fungeren.

4.5. Ten slotte is de Raad van oordeel dat het gegeven dat appellanten zijn ingeschreven in het register van de Stichting registertaxateurs OZ dan wel het feit dat zij diverse opleidingen hebben gevolgd, een bezoldiging in groepsfunctie F evenmin rechtvaardigt. Naar het oordeel van de Raad gaat het hierbij om onderdelen van de normale taakuitoefening van de functie medewerker waarde-onderzoek, zodat dit voor het verzoek om bezoldiging in groepsfunctie F geen meerwaarde heeft.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene moeten de aangevallen uitspraken met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD