Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-1516 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rugklachten. Weigering ZW-uitkering. In de beschikbare medische informatie zijn onvoldoende aanknopingspunten te zien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen, geen sprake van een toename van de beperkingen van appellant per de data in geding. Geen van de, in hoger beroep ingebrachte, informatie heeft betrekking op de data in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1516 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 januari 2007, 06/1673 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant is (met bericht) niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs. Na heropening van het onderzoek hebben partijen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als produktiemedewerker voor 38,3 uur per week, heeft sinds 1991 rugklachten. Met ingang van 16 april 1999 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In het kader van een herbeoordeling heeft arbeidsdeskundige M. Schonewille, uitgaande van een door een verzekeringsarts vastgesteld belastbaarheidspatroon, in zijn rapport van 7 september 2001 een aantal functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25 tot 35%. Bij besluit van 9 november 2001 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 9 april 2001 herzien en nader berekend naar genoemd percentage. Daarnaast is appellant met ingang van 9 april 2001 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Voorts heeft appellant van 30 september 2005 - met een kleine onderbreking - tot en met 29 mei 2006 een WSW-dienstverband gehad voor 18 uur per week.

1.2. Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 14 februari 2006 ziek gemeld met toegenomen rugklachten. Op 21 april 2006 is appellant onderzocht door verzekeringsarts K. Hulsmans. Deze constateerde aspecifieke lage rugklachten. Hij concludeerde dat geen sprake is van toegenomen beperkingen, vergeleken met die welke in het kader van de eerdere WAO-beoordeling per 9 april 2001 zijn vastgesteld, en verklaarde appellant met ingang van 21 april 2006 geschikt voor de geduide functies. Bij besluit van 21 april 2006 is appellant met ingang van die datum een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

1.3. Op 24 april 2006 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld met rugklachten. Op 5 mei 2006 is appellant onderzocht door genoemde verzekeringsarts. Deze constateerde wederom geen toename van de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling vastgestelde beperkingen en verklaarde appellant met ingang van 24 april 2006 geschikt voor de geduide functies. Bij besluit van 8 mei 2006 is appellant met ingang van 24 april 2006 een ZW-uitkering geweigerd.

1.4. In het kader van de bezwaarprocedure is appellant onderzocht door bezwaarverzekeringsarts J.L.Waasdorp. Deze beschikte hierbij over informatie van huisarts H.E.H. Hamelers, neuroloog J. Boiten en uroloog J.W. Langeveld. In dit kader heeft appellant tevens psychische klachten naar voren gebracht. Genoemde bezwaarverzekeringsarts constateerde onder meer dat geen sprake is van een psychische stoornis in engere zin en concludeerde dat het primair medisch oordeel kan worden gehandhaafd. Nadien ontvangen informatie van genoemde huisarts leidde hem niet tot een ander oordeel. Bij het bestreden besluit van 16 augustus 2006 is het bezwaar tegen de besluiten van 21 april 2006 en 8 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Voorts is verzocht om een deskundige te benoemen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant informatie ingebracht van psychiater-psychotherapeut W.J. Arnoldussen van 25 april 2007 en 12 juni 2007. In zijn rapport van 29 mei 2007 en addendum van 19 juni 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts hierop een reactie gegeven. Voorts heeft appellant informatie ingebracht van de Afdeling Medische Beeldvorming van het ZOL Campus St. Jan te Genk (B) van 31 augustus 2007. Desgevraagd is van de zijde van het Uwv bij brieven van 19 augustus 2008 en 30 december 2008 de maatstaf arbeid nader toegelicht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

4.3. Voor de onderhavige gevallen betekent het vorenstaande dat ter zake van de ziektegevallen van appellant per 14 februari 2006 en 24 april 2006 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid die voor appellant in het kader van de WAO vanaf

9 april 2001 als geschikt kon worden aangemerkt, zijnde de in het rapport van arbeidsdeskundige M. Schonewille van 7 september 2001 vermelde functies van printplatenmonteur (fb-code 8538), samensteller van metaalproducten (fb-code 8463), medewerker fabricage bouwelementen (fb-code 9430) en naaister-stikster meubelbekleding (fb-code 7964). Hierbij heeft de Raad de door het Uwv in zijn brieven van 19 augustus 2008 en 30 december 2008 gegeven toelichting in aanmerking genomen. Daarin heeft het Uwv terecht opgemerkt dat appellants dienstverband in het kader van de WSW tot en met 24 mei 2006 voortduurde, zodat appellant uit dien hoofde geen aanspraak had op ziekengeld op de data in geding, 21 april 2006 respectievelijk 24 april 2006. De ziekmeldingen van 14 februari 2006 en 24 april 2006 zijn dan ook terecht vanuit de gedeeltelijke werkloosheidssituatie beoordeeld, zodat ook terecht voormelde functies als maatstaf arbeid zijn aangemerkt. Nu appellant ten tijde in geding feitelijk ook niet werkte in WSW-verband, ziet de Raad ook geen grond om dit werk anderszins mee te wegen bij de beoordeling.

4.4. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat indien als maatstaf geldt de arbeid, als nader geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO, van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.

4.5. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 21 april 2006 en 24 april 2006 niet (langer) ongeschikt moet worden geacht ten minste één van de hiervoor in 4.3 vermelde functies.

4.6. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. In dit kader overweegt de Raad in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten te zien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen, dat geen sprake is van een toename van de beperkingen van appellant per de data in geding. In dit kader overweegt de Raad dat de informatie van huisarts Hamelers, neuroloog Boiten en uroloog Langeveld in bezwaar reeds door de bezwaarverzekeringsarts is meegewogen. Met betrekking tot de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie van psychiater-psychotherapeut Arnoldussen heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van

29 mei 2007 en addendum van 19 juni 2007 voldoende gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) deze informatie hem geen aanleiding geeft tot wijziging van zijn standpunt. Ook de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie van het ZOL Campus St. Jan te Genk (B) kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Hierbij wijst de Raad er op dat geen van de hiervoor genoemde, in hoger beroep ingebrachte, informatie betrekking heeft op de data in geding. Onder deze omstandigheden ziet de Raad ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.7. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van respectievelijk 21 april 2006 en 24 april 2006 niet (langer) ongeschikt was voor zijn arbeid. Hieruit volgt dat appellant terecht (verdere) uitkeringen ingevolge de ZW zijn geweigerd.

5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

JL