Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-5020 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een Wajong-uitkering. De functies die aan de schatting ten grondslag liggen, zijn gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten vanuit in medisch opzicht passend geacht. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige is een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies. De Raad kan oordelend in de lijn van zijn vaste rechtspraak niet inzien dat aan appellant geen functies op niveau 1 of 2 in billijkheid zouden kunnen worden opgedragen. Aan de Raad is verder niet gebleken van aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn psychische beperkingen hem het verrichten van werkzaamheden onder zijn niveau in de weg zouden staan. Geen aanleiding voor de benoeming van een deskundige ter toetsing van de arbeidsmogelijkheden van appellant. Nu eerst in hoger beroep een als afdoende aan te merken toelichting op de geselecteerde functies is verstrekt, kan het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand blijven. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5020 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 juli 2007, 06/11231 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Groot, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.J.G. de Jager, kantoorgenoot van mr. De Groot, en P. Steenbergen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant, geboren [in] 1975, heeft op 10 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jongehandicapten (Wajong) aangevraagd vanwege psychische problemen.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 27 september 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de afwijzing van de aanvraag van 10 november 2004 gehandhaafd op de grond dat appellant met ingang van 24 juli 1993 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is te beschouwen in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wajong. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld dient te worden op 24 juli 1992, doch dat appellant na het verstrijken van de wettelijk voorgeschreven wachttijd met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor voldoende passende functies, waarmee hij tenminste het wettelijk minimumloon kan verdienen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij gelet op zijn medische beperkingen niet in staat is de werkzaamheden in de geduide functies te verrichten. Hij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen om zijn arbeidsmogelijkheden per 1993 vast te stellen.

3.2. Het Uwv heeft zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft het Uwv een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 november 2007 ingebracht.

4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroep en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is de juistheid van de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 24 juli 1992 en evenmin de omvang van de medische beperkingen van appellant, zoals neergelegd in de zich onder de stukken bevindende ‘Verwoording belastbaarheid belanghebbende’ van 28 augustus 2006 en de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ van 3 juli 2006. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of appellant met inachtneming van die medische beperkingen per 24 juli 1993 geschikt is te achten de werkzaamheden te verrichten in de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.2. De Raad is van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de in 3.2 vermelde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 november 2007 is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in hoofdzaak een herhaling van hetgeen in de beroepsfase is aangevoerd en die grieven zijn door de bezwaararbeidsdeskundige met diens in voormelde rapportage van 20 november 2007 gegeven motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies op juiste gronden weerlegd. Daarbij wijst de Raad in het bijzonder op de toelichting en uitleg die de bezwaararbeidsdeskundige heeft gegeven ten aanzien van de begrippen ‘dwingende werktempo’ en ‘aanmerkelijke tijdsdruk’, welke uitleg de Raad volgt.

4.3. De Raad passeert de – eerst ter zitting opgeworpen – stelling van appellant dat de werkzaamheden van de geselecteerde functies onder zijn niveau liggen en dat daarom die functies niet aan hem hadden mogen worden geduid. Op appellant is het zogenoemde middencriterium van toepassing zoals dat gold van 1 januari 1987 tot 1 augustus 1993, zodat de te beantwoorden vraag is of de aan appellant voorgehouden functies hem in billijkheid kunnen worden opgedragen. Volgens de arbeidsmogelijkhedenlijst liggen de geduide functies op niveau 1 of 2. Verder heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 8 september 2006 met betrekking tot appellant opleidingsniveau 3 aangenomen, aangezien hij ten tijde in geding een HAVO-opleiding volgde. De Raad kan derhalve - oordelend in de lijn van zijn vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 16 oktober 2007, LJN BB5735- niet inzien dat aan appellant geen functies op niveau 1 of 2 in billijkheid zouden kunnen worden opgedragen. Aan de Raad is verder niet gebleken van aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn psychische beperkingen hem het verrichten van werkzaamheden onder zijn niveau in de weg zouden staan.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 en 4.4 is overwogen ziet de Raad geen aanleiding voor de benoeming van een deskundige ter toetsing van de arbeidsmogelijkheden van appellant.

4.5. Nu echter eerst in de fase van het hoger beroep een als afdoende aan te merken toelichting op de geselecteerde functies is verstrekt, kan het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Wel bestaat gelet op het vorenoverwogene aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht, in totaal € 144,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerhof.

(get.) A.L. de Gier.

JL