Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-4057 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De Raad is, gelet op de thans bekende medische en andere gegevens omtrent appellante, met de rechtbank van oordeel dat het Uwv bij de beoordeling van de klachten van appellante in de FML in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellante geldende arbeidsmogelijkheden. Daarbij kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4057 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2007, 06/1186 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar echtgenoot [naam echtgenoot] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellante is zoals tevoren bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

2.1. Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster in een fabriek in Duitsland. In mei 1988 heeft zij deze werkzaamheden wegens lichamelijke klachten gestaakt, waarbij de diagnose fibromyalgie is vastgesteld. Het Uwv heeft vervolgens met ingang van 23 mei 1989 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. In 1994 is appellante

naar Spanje verhuisd, alwaar zij sindsdien woont.

2.2. Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van 10 december 2003 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit liggen medische rapportages van enkele artsen in Spanje ten grondslag, waarbij tevens de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellante zijn weergegeven. Op verzoek van de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk is appellante vervolgens in november 2002 in Nederland onderzocht door psychiater W.J. Lubberding en orthopeed M.G.A. Frenkel. Op basis van de bevindingen van deze artsen heeft verzekeringsarts D.L. Bouwman vastgesteld dat er bij appellante sprake is van gezondheidsproblemen op motorisch gebied alsmede het terrein van bestendigheid, die een belemmering vormen om te functioneren in het normale dagelijkse arbeidsleven. Voorts heeft deze arts vastgesteld dat destijds veel te zware beperkingen in relatie met de objectieve functiestoornissen werden aangegeven. In overeenstemming hiermee wordt een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. 2.3. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid voor een zestal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%.

2.4. Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg die, tot de slotsom is gekomen dat de weergave door de verzekeringsarts van de beperkingen en mogelijkheden in de FML juist is. Ook heeft het Uwv bezwaararbeidsdeskundige A.H. van den Boogaard geraadpleegd. Deze heeft een nadere motivering gegeven van de signaleringen in de FML met betrekking tot aspecten waarop appellante is beperkt en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding bestaat om van het oordeel van de arbeidsdeskundige af te wijken. Onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 9 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1. In beroep is aangevoerd dat appellantes medische situatie als gevolg van fibromyalgie onvoldoende is onderzocht en is onderschat.

3.2. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 september 2006. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en reumatoloog G.H.C. Schardijn verzocht om haar van verslag en advies te dienen. Schardijn heeft appellante zelf onderzocht en kennis genomen van de medische stukken over appellante. De reumatoloog acht een beperking ten aanzien van langdurig staande werkzaamheden nuttig en voorts acht hij beperkingen aangewezen ten aanzien van belasting van nek, rug en klimmen. Schardijn kan zich volledig verenigen met de belastbaarheid van appellante zoals aangegeven in de FML. Hoewel Schardijn van mening is dat appellante voldoet aan de criteria voor een chronisch moeheidsyndroom, heeft hij onvoldoende argumenten gevonden om een urenbeperking te verdedigen. Ook inhoudelijk heeft Schardijn geen bezwaren tegen de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Hij geeft tot slot in overweging een deskundige op het gebied van psychiatrie in te schakelen.

3.3. Namens appellante is op het rapport van de deskundige gereageerd in die zin dat nogmaals de klachten zijn benadrukt die appellante ondervindt ten gevolge van fibromyalgie, alsmede de onbekendheid van de oorzaak van de ziekte. Namens het Uwv is ingestemd met de bevindingen van de deskundige.

3.4. Op verzoek van de rechtbank heeft namens het Uwv de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind nog een nadere toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies in het licht van de aanpassing van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.

3.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de voor appellante opgestelde FML voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de verzekeringsarts heeft bevestigd en bij die beoordeling de van de behandelend artsen van appellante verkregen medische gegevens zijn betrokken. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen het deskundigenrapport van reumatoloog Schardijn en diens aanbeveling om een deskundige op het gebied van psychiatrie in te schakelen. De rechtbank is van oordeel dat van een benoeming van een psychiater kan worden afgezien, nu appellante ter zitting heeft aangegeven dit niet te willen en bovendien bij het opstellen van de FML het rapport van psychiater Lubberding is betrokken. Tot slot heeft de rechtbank appellantes verzoek om een deskundige op het gebied van fibromyalgie ter zitting te horen afgewezen, aangezien geen twijfel bestaat over het medische oordeel.

4. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat het ziektebeeld fibromyalgie wispelturig en agressief van aard is, en dat de manifestatie daarvan per individu verschilt. Voorts is aangevoerd dat op de fibromyalgie bij de diverse medische onderzoeken geen acht is geslagen.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. In hoger beroep is in geschil of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 10 december 2003 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15%. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de toen voor appellante geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

5.3. De Raad is, gelet op de thans bekende medische en andere gegevens omtrent appellante, met de rechtbank van oordeel dat het Uwv bij de beoordeling van de klachten van appellante in de FML in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellante geldende arbeidsmogelijkheden. Daarbij kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige, de reumatoloog Schardijn, die zich volledig kon verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheid van appellante en haar in staat achtte op 10 december 2003 de door de arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde functies te vervullen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige in zijn rapportage zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen lichamelijk onderzoek van appellante en op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken.

5.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Naar het oordeel van de de Raad is het door Schardijn verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig. Bovendien heeft appellante in hoger beroep geen nadere, van (behandelend) artsen afkomstige, medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op haar situatie ten tijde in geding. De Raad acht zich door de beschikbare gegevens voldoende voorgelicht. Voor een onderzoek door een deskundige op het gebied van fibromyalgie, zoals namens appellante verzocht, ziet de Raad geen aanleiding.

5.5. Met betrekking tot de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies zijn door of namens appellante geen nadere grieven aangevoerd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de geschiktheid van de, door de bezwaararbeidsdeskundige Lind in beroep nog van een nadere motivering voorziene, geduide functies.

5.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M. Pijper.

NW