Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-5225 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%: Appellante is ongeschikt voor het eigen werk, doch met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid gedurende gemiddeld 4 uren per dag. De Raad oordeelt, met de rechtbank, dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5225 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 juni 2007, 06/201 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde Reeser en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als leerling-kapster voor 32 uur per week toen zij op 23 december 1995 uitviel met vermoeidheidsklachten. Met ingang van 15 november 1996 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die vanaf 22 september 1998 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 of meer. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 7 juni 2005 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, doch met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid gedurende gemiddeld 4 uren per dag.

1.2. Bij besluit van 20 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 28 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bevindingen van de verzekeringsartsen niet in tegenspraak zijn met de conclusies van de behandelend reumatoloog Velthuijsen, dat de verzekeringsartsen op basis van de klachten en mededelingen van appellante een groot aantal beperkingen plausibel hebben geacht en hebben gehonoreerd en dat voor het aannemen van meer of andere beperkingen toereikende objectief-medische aanknopingspunten ontbreken. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat met de beschikbare stukken en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige op genoegzame en toelaatbare wijze inzichtelijk is gemaakt waarom de geduide functies voor appellante passend worden geacht. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door de rechtbank juist geacht.

3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling – kort weergegeven – dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld met de FML. Appellante is van mening dat haar klachten, voortvloeiend uit het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en fibromyalgie, niet voldoende serieus zijn genomen. Bij faxbericht van 29 januari 2009 heeft appellante voorts nog aangevoerd dat in de FML verschillende zogenaamde verborgen beperkingen zijn opgenomen, hetgeen ontoelaatbaar is, en dat deze verborgen beperkingen twijfel oproepen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt grotendeels een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML.

4.3. De Raad is niet kunnen blijken dat aan het van de zijde van het Uwv verrichte medisch onderzoek onzorgvuldigheden kleven. Er is wel degelijk aandacht besteed aan de vermoeidheidsklachten van appellante en deze hebben geleid tot het stellen van een urenbeperking. Dat appellante een stofallergie heeft blijkt niet uit informatie van de behandelend sector. De rapportage van 9 februari 2009 van de bezwaarverzekeringsarts, waarin deze uiteenzet dat de opmerkingen van de verzekeringsarts bij een aantal punten in de FML geen verborgen beperkingen zijn, maar betekenen dat appellante op die punten niet bovennormaal mag worden belast, is van de zijde van appellante niet weersproken.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 3 november 2005 een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellante. Ten aanzien van alle punten waarop appellante niet boven de normaalwaarde mag worden belast is een toelichting gegeven, waaruit naar het oordeel van de Raad genoegzaam blijkt dat van een bovennormale belasting geen sprake is.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.L. de Gier.

GdJ