Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-5732 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van de toeslag op het AOW-pensioen, omdat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, doordat de jongere partner van appellant inkomen ontving. Beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, is niet in striijd met rechtsbeginselen. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5732 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 september 2007, 06/3600 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving met ingang van januari 2002 een (gekort) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), alsmede een toeslag voor zijn jongere partner, welke toeslag is gekort met 2% omdat de partner van appellant gedurende een jaar niet verzekerd is geweest.

1.2. In september 2005 heeft de Svb een electronische melding van de Belastingdienst ontvangen waaruit bleek dat de partner van appellant in 2004 een inkomen van € 900,- zou hebben genoten. In verband hiermee heeft de Svb nader onderzoek verricht en informatie ingewonnen bij appellant en zijn accountant met betrekking tot de aard van dit inkomen. Uiteindelijk heeft de accountant bij brief van 23 augustus 2006 aan de Svb medegedeeld dat de partner van appellant sedert 1 oktober 2004 (ingaande haar 60ste verjaardag) een levenslang ouderdomspensioen van € 300,- per maand ontvangt uit een opgerichte pensioen B.V.

1.3. Bij besluit van 8 september 2006 heeft de Svb aan appellant bericht dat het pensioen dat zijn partner ontvangt uit de B.V. moet worden aangemerkt als een pensioenregeling waarbij het inkomen wordt geclassificeerd als inkomen in verband met arbeid, welk inkomen volledig op de toeslag in mindering moet worden gebracht. Het AOW-pensioen moet dan ook worden herzien met ingang van oktober 2004.

1.4. Bij besluit van 21 september 2006 heeft de Svb aan appellant medegedeeld dat de te veel betaalde toeslag over de maanden oktober 2004 tot en met april 2006 ad € 5.884,20 wordt teruggevorderd door middel van verrekening met zijn AOW-pensioen.

1.5. In bezwaar is door appellant aangegeven dat de accountant de pensioen B.V. heeft opgericht, maar dat appellant door hem nooit is geïnformeerd over de consequenties daarvan voor de toeslag op zijn AOW-pensioen. De accountant heeft de belangen van appellant derhalve niet adequaat behartigd en voorts appellant en de Svb onjuist en onvolledig ingelicht, hetgeen appellant niet kan worden verweten.

1.6. Bij besluit van 30 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het door appellant ingestelde bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft de vaststelling van de hoogte van het inkomen van de partner van appellant, de hoogte van de terugvordering en het te verrekenen maandbedrag. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Svb overwogen dat de partner van appellant een uitkering op grond van een pensioenregeling ingevolge artikel 7, lid 1, sub c, van het Inkomensbesluit AOW ontving, welk inkomen als inkomen in verband met arbeid volledig wordt gekort op de toeslag. Appellant is zelf verantwoordelijk voor de inlichtingen die aan de Svb verstrekt dienen te worden. Bij de aanvraag en toekenning van het AOW-pensioen is appellant ook van zijn inlichtingenverplichting op de hoogte gesteld, in het bijzonder ook met betrekking tot de inkomensafhankelijkheid van de toeslag. De Svb ziet dan ook geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien. De volledige terugwerkende kracht is daarnaast niet kennelijk onredelijk. Voorts ziet de Svb geen reden om af te zien van de terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de Svb op goede gronden heeft geoordeeld dat de partner van appellant inkomsten heeft die op grond van de AOW gekort moeten worden op de toeslag. Appellant heeft nagelaten de Svb te informeren over de inkomsten van zijn partner. Gelet op de bij de aanvraag van de uitkering verstrekte informatie, had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat deze inkomsten van invloed konden zijn op de omvang van het recht op zijn ouderdomspensioen. Voorts is appellant zelf verantwoordelijk voor het opvolgen van de adviezen van zijn accountant. De Svb heeft dan ook tot een volledige herziening met terugwerkende kracht over kunnen gaan en de te veel betaalde uitkering kunnen terugvorderen.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij jarenlang in het buitenland heeft gewoond en daardoor een beperkte kennis had van de Nederlandse wetgeving. Daarom is hij afgegaan op adviezen van zijn accountant. Als hij geweten had dat de uitkering aan zijn partner uit de pensioen B.V. gekort zou worden op zijn toeslag, had hij nooit gekozen voor een dergelijke pensioenvoorziening voor zijn partner. Appellant is nu de dupe van het handelen van de accountant. Voorts heeft appellant aangegeven dat hij bij zijn AOW-aanvraag alle relevante gegevens bij de Svb op tafel heeft gelegd, waaruit de Svb had kunnen opmaken dat zijn partner in de toekomst een pensioen zou gaan ontvangen. De Svb had appellant met betrekking tot de consequenties van dit pensioen voor de toeslag moeten informeren. Voorts heeft appellant grieven geuit ten aanzien van de wijze waarop zijn AOW-pensioen is vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb de pensioenuitkering van de partner van appellant terecht aangemerkt als inkomen in verband met arbeid in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van het Inkomensbesluit, welke op de toeslag in mindering moet worden gebracht. Dat appellant is afgegaan op het advies van zijn accountant en hij met het advies voor een dergelijke pensioenregeling nooit zou hebben ingestemd als hij op de hoogte was geweest van de consequenties voor de toeslag, maakt dit niet anders.

4.2. Met betrekking tot de herziening van de toeslag op het AOW-pensioen merkt de Raad op dat uit artikel 17 van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van dit artikel is blijkens de Memorie van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan, tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23909, nr. 114b).

4.3. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de verzekerde al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. In een dergelijk geval wordt de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht herzien. Voorts wordt met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht de Svb belang aan:

- de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende.

De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

4.4. Wat betreft de schending van de mededelingsverplichting overweegt de Raad dat ingevolge artikel 49 van de AOW de pensioengerechtigde, alsmede zijn echtgenoot, verplicht zijn onder meer op verzoek van de Svb alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt betaald. Dit artikel heeft niet alleen betrekking op wijzigingen die zich ten aanzien van het recht op uitkering voordoen, maar ook op de verificatie van feiten en omstandigheden. Door partijen wordt niet betwist dat appellant in ieder geval bij zijn aanvraag om een AOW-pensioen van de Svb informatie heeft ontvangen onder meer met betrekking tot de inkomensafhankelijkheid van de toeslag. Toen de partner van appellant in oktober 2004 pensioen ging ontvangen, had het appellant duidelijk kunnen zijn dat dit pensioen van invloed kon zijn op de toeslag. De Raad is verder niet gebleken dat de Svb op het moment dat het pensioen van de partner van appellant tot uitkering kwam op de hoogte was van dit pensioen of geacht moet worden dit te zijn geweest op basis van de door appellant eerder overgelegde gegevens. De Raad is derhalve van oordeel dat appellant niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan.

4.5. Op grond van vorenstaande is de Raad van oordeel dat de Svb de AOW-uitkering van appellant terecht met terugwerkende kracht heeft herzien. Er is geen sprake van een situatie waarin de Svb geheel of gedeeltelijk van herziening dient af te zien en evenmin is de Raad gebleken van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

Voorts is niet gebleken van dringende redenen in de zin van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M. Pijper.

IA