Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
06-1860 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Ambtshalve beoordeling: onderzoek ter zitting bij de rechtbank is achterwege gebleven. Nieuwe gedingstukken toegevoegd. Het staat de rechter niet vrij om zonder meer op basis van de toestemming die eerder is gegeven de zaak buiten zitting af te doen. Vernietiging aangevallen uitspraak. De Raad doet de zaak zonder terugwijzing af.

Medisch onderzoek zorgvuldig. Voldoende medische grondslag. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1860 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2006, 05/2346 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.F. Roth, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 januari 2009 is namens appellant een deskundigenrapportage van de neuroloog H.P. Siegers en een reactie van zijn medisch adviseur dr. G.M.A. Clauwaert ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 15 augustus 2003 na een verkeersongeval, waarbij hij op zijn fiets door een auto is aangereden, uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker bij een vleesverwerkend bedrijf. Na een medisch onderzoek door de verzekeringsarts H. Konieczek op 11 oktober 2004, waarbij is geconcludeerd dat appellant geschikt is voor de eigen arbeid, heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2004 aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat hij per 15 augustus 2004 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 11 april 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M.P.H. Franssen van 30 maart 2005, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 oktober 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts niet onzorgvuldig is te achten en dat ook naar aanleiding van de door appellant overgelegde medische rapporten niet is gebleken dat bij (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente naar behoren gemotiveerde als ook verantwoorde opvatting bestaat dat appellant als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is arbeid te verrichten. Voorts heeft de rechtbank gemotiveerd aangegeven waarom het beroep van appellant op een arrest van de Hoge Raad en op een uitspraak van de Raad niet tot een ander oordeel kan leiden.

3. In hoger beroep is namens appellant, onder verwijzing naar hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd, gesteld dat hij ten gevolge van medische beperkingen als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt en dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de conclusies in de overgelegde rapportage van zijn medisch adviseur dr. Clauwaert.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen, nu een onderzoek ter zitting bij de rechtbank achterwege is gebleven. Blijkens de gedingstukken heeft appellant op 4 augustus 2005 schriftelijk toestemming verleend om, overeenkomstig artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep buiten zitting af te doen. Op 16 augustus 2005 heeft het Uwv hiertoe eveneens toestemming verleend. Nadien zijn door partijen nieuwe stukken ingezonden en hebben zij op elkaars standpunt gereageerd. De Raad is van oordeel dat de behandeling van het beroep buiten zitting door de rechtbank in dit geval in strijd is met artikel 8:57 van de Awb. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ter zake (onder meer zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ8709) overweegt de Raad dat, in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrijstaat om zonder meer op basis van de toestemming die eerder is gegeven de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand overgelegde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. In het onderhavige geval heeft de rechtbank partijen niet opnieuw om toestemming in de zin van genoemd artikel verzocht. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.3. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Franssen van 30 maart 2005 is inzichtelijk en gemotiveerd aangegeven dat, gezien de aard van het ongeval, de informatie die van de behandelend sector in het dossier aanwezig is en gezien de bevindingen bij eigen onderzoek, op de datum in geding geen medisch objectiveerbare stoornis aanwezig is die aanleiding geeft tot beperkingen ten aanzien van het dagelijks functioneren van appellant. In de hoofdpijn- en maagklachten van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts geen objectiveerbare stoornis kunnen ontdekken die aanleiding zou moeten geven tot het aannemen van beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Ook in de in hoger beroep door appellant overgelegde rapportage van de neuroloog Siegers in het kader van een letselschadeprocedure en in de reactie daarop van zijn medisch adviseur Clauwaert, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. Daarbij wijst de Raad erop dat genoemde neuroloog in zijn rapportage onder meer heeft geconcludeerd dat bij neurologisch onderzoek geen consistente bevindingen zijn waargenomen die wijzen op een structureel neurologisch doorgemaakt letsel, welk beeld ook in de correspondentie naar voren komt. Voorts wijst de Raad erop dat door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is verklaard, dat ook de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons in zijn reactie op de door appellant overgelegde medische stukken heeft aangegeven dat geen neurologische afwijkingen zijn vastgesteld en dat er inconsistentie is waargenomen bij de klachtenpresentatie van appellant, zodat er terecht geen beperkingen zijn aangenomen ten gevolge van ziekte en of gebrek. De Raad kan aan de door appellant overgelegde gegevens dan ook niet die betekenis toekennen, die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Voor het benoemen van een medisch deskundige acht de Raad onvoldoende gronden aanwezig. Mitsdien is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten, zodat het Uwv bij het bestreden besluit op goede gronden heeft geweigerd aan appellant per 15 augustus 2004 een WAO-uitkering toe te kennen.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR