Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-4212 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Apellant heeft een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, waarmee hij geschikt voor eigen werk. Voldoende medisch onderzoek. Het had derhalve op de weg van appellant gelegen om de rapportage (in het kader van de WSW) van psycholoog Willemse op te vragen en in het onderhavige geding over te leggen. Ten aanzien van de rapportages van het Instituut Psychosofia is de Raad van oordeel dat daaraan niet het belang kan worden gehecht dat appellant daaraan toegekend wil zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4212 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2007, 06/3504 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, voorheen werkzaam als gastheer in een verpleeghuis, heeft zich met ingang van 9 september 2005 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met psychische klachten. Appellant heeft twee maal het spreekuur bezocht van verzekeringsarts P.H. van der Heijden, voor het laatst op 11 april 2006. Na onderzoek tijdens dit laatste spreekuur komt deze arts tot de conclusie dat sprake is van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, waarmee appellant echter wel kan werken. Bij besluit van 11 april 2006 is appellant met ingang van 17 april 2006 hersteld verklaard voor zijn werk als gastheer. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In de bezwaarfase is appellant onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar, die blijkens zijn rapportage van 21 juli 2006 heeft overwogen dat de bevindingen van de verzekeringsarts, dat sprake is van een paranoïde persoonlijkheids-stoornis, niet goed te plaatsen zijn. De conclusie van de verzekeringsarts dat appellant in staat wordt geacht om zijn eigen werk te verrichten wordt evenwel door Ramautar onderschreven nu bij eigen onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor enige psychopathologie en ook uit de stukken niet is gebleken van een mogelijke persoonlijkheidsstoornis. Bij het bestreden besluit van 27 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 april 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat niet kan worden geconcludeerd dat beide artsen een onjuist of onvolledig beeld hadden van de gezondheidsklachten van appellant op de datum in geding.

3. Appellant heeft – kort weergegeven – bestreden dat het Uwv op een zorgvuldige wijze en op juiste gronden heeft geoordeeld dat hij met ingang van 17 april 2006 weer in staat moet worden geacht zijn werk als gastheer te verrichten. Ter onderbouwing heeft appellant aangevoerd dat psycholoog C.P.M. Willemse – in het kader van een onderzoek op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) – heeft geconcludeerd dat hij niet in staat is om enige werkzaamheden uit te voeren. Daarbij heeft appellant onder meer verwezen naar de brief van Willemse van 20 mei 2006. Voorts zijn tijdens de procedure meerdere rapportages van het Instituut Psychosofia overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts Ramautar heeft geen aanleiding gezien om nadere informatie in te winnen bij de psycholoog Willemse. Ramautar heeft daartoe overwogen dat dit niet noodzakelijk was gelet op de eigen bevindingen, de dossiergegevens en de omstandigheid dat Willemse geen behandelaar is van appellant. Tijdens de hoorzitting van 12 juli 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts de gemachtigde van appellant tot 21 juli 2006 in de gelegenheid gesteld om informatie van de psycholoog te overleggen. Eerst in beroep wordt een brief van Willemse van 20 mei 2006 overgelegd. Uit deze brief kan worden afgeleid, mede gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 26 september 2006, dat Willemse appellant niet uitgebreid heeft onderzocht. Nu zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts appellant beiden psychisch hebben onderzocht en appellant geen medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand per 17 april 2006, is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van het medisch onderzoek. Daarbij acht de Raad voorts van belang dat Willemse in de brief van 20 mei 2006 heeft meegedeeld dat het Centrum voor Werk en Inkomen, dat formeel eigenaar is van de rapportages opgesteld in het kader van de WSW, op verzoek alle bescheiden zal leveren. Het had derhalve op de weg van appellant gelegen om de rapportage van psycholoog Willemse op te vragen en in het onderhavige geding over te leggen. Ten aanzien van de rapportages van het Instituut Psychosofia is de Raad van oordeel dat daaraan niet het belang kan worden gehecht dat appellant daaraan toegekend wil zien. De Raad verwijst in dit verband – evenals de rechtbank heeft gedaan – naar zijn uitspraken van 28 december 2001 (LJN AD9645), 14 oktober 2003 (LJN AN8064) en 13 juli 2005 (LJN AT9828).

5. Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden heeft besloten dat appellant met ingang van 17 april 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en P.J. Jansen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

GdJ