Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
06-6560 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek is verricht door een arts die (toen) niet was geregistreerd als verzekeringsarts. Gebrek in bezwaarfase hersteld. Juistheid vastgestelde beperkingen. Eerst in hoger beroep geschiktheid geduide functies voorzien van volledige motivering. Vernietiging aangevallen uitspraak, en bestreden besluit. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6560 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 oktober 2006, 06/995 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van der Made, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Knotter, kantoorgenoot van mr. Van der Made. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2. Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 11 december 2005 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 19 januari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2005 gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 11 december 2005 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen ten gevolge van rugklachten met uitstraling naar het rechterbeen. Die klachten zijn niet verbeterd sinds de voorgaande beoordeling. Appellant is dan ook van mening dat het Uwv ten onrechte de urenbeperking heeft laten vervallen en enkele andere beperkingen heeft afgezwakt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar het rapport van de orthopedisch chirurg J.H. Postma van 24 februari 2005, dat hij in de beroepsfase heeft overgelegd, en naar een in hoger beroep ingebrachte brief van de neuroloog prof. dr. W.A. van Gool van 18 mei 2006.

4.2. Daarnaast is appellant van mening dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, nu dit niet is verricht door een arts die is gespecialiseerd in verzekeringsgeneeskunde.

4.3. Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft appellant aangevoerd dat deze niet in overeenstemming zijn met zijn belastbaarheid. Tevens heeft hij in hoger beroep een rapport van de register-arbeidsdeskundige P.F.G. Jeurissen van 18 juni 2007 overgelegd waarin deze per functie aangeeft waarom appellant deze niet kan uitoefenen, op 28 januari 2009 gevolgd door een commentaar van Jeurissen op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 september 2007.

5.1. Het Uwv heeft zijn standpunt dat appellant wel in staat moet worden geacht per 11 december 2005 de voor hem geselecteerde functies te vervullen nader gemotiveerd in rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, met dien verstande dat één functie alsnog is komen te vervallen.

5.2. Dat het primaire onderzoek niet door een geregistreerd verzekeringsarts is verricht, acht het Uwv, in navolging van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 2 januari 2007, niet bezwaarlijk gelet op de ruime ervaring van deze arts, O.L. Zuiderhoek.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1.1. Niet in geschil is dat het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek is verricht door een arts die (toen) niet was geregistreerd als verzekeringsarts. In zijn uitspraken van 18 juli 2007 (LJN BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910) heeft de Raad overwogen dat registratie als verzekeringsarts in beginsel borg staat voor een zekere kwaliteit en dat, zolang die registratie niet heeft plaatsgevonden, er in beginsel niet van kan worden uitgegaan dat de kwaliteit van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts voldoende is gewaarborgd. Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld. De arts Zuiderhoek heeft appellant in de jaren 2003 tot en met 2005 een aantal malen in het kader van een heronderzoek onderzocht, de belastbaarheid beoordeeld en vanaf juni 2003 de functionele mogelijkheden van appellant omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), met een urenbeperking van 20 uur per week. Op 25 augustus 2005 is appellant wederom door deze arts onderzocht. Daaraan voorafgaand heeft deze arts het dossier bestudeerd, waaronder brieven van behandelend artsen uit 2001 en 2004. Er werd niet nogmaals informatie bij behandelend artsen ingewonnen omdat de arts van mening was dat hij na het eigen onderzoek voldoende duidelijkheid had om tot een zorgvuldig en gefundeerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek te kunnen komen en er het afgelopen jaar geen nieuwe contacten met specialisten hadden plaatsgevonden.

6.1.2. Appellant is op het bezwaar gehoord in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman. Deze heeft, na een uitvoerig gesprek met appellant, geen aanleiding gezien om appellant lichamelijk te onderzoeken omdat hij daarvan geen nieuwe gezichtspunten verwachtte. In zijn rapport van de heroverweging op het bezwaar gaat de bezwaarverzekeringsarts uitvoerig in op de bezwaren van appellant. Ook geeft de bezwaarverzekeringsarts zijn indruk van appellant op grond van observatie tijdens de hoorzitting weer. De bezwaarverzekeringsarts achtte het oordeel van de primaire arts over de beperkingen en mogelijkheden voldoende onderbouwd. In bezwaar zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts geen medische feiten of gegevens naar voren gekomen die het oordeel met betrekking tot de beperkingen doen wijzigen. Het oordeel van de primaire arts is gebaseerd op voldoende medische gegevens uit de curatieve sector. Er is geen aanleiding het primaire medische oordeel te wijzigen, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

6.1.3. De Raad overweegt dat het onderzoek van de primaire arts en diens conclusies consistent zijn met de voorgaande beoordelingen, ook wat betreft de urenbeperking. Al in 2003 heeft deze arts aangegeven dat de urenbeperking na afloop van het toen gevolgde begeleidingstraject beëindigd zou kunnen worden. De Raad is voorts van oordeel dat in de primaire fase een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat in de bezwaarfase een zorgvuldige beoordeling heeft plaatsgevonden door een wel als verzekeringsarts geregistreerd arts. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in zijn overweging om in dit geval in de bezwaarfase een (nieuw) lichamelijk onderzoek achterwege te laten. Van de zijde van appellant waren ook geen medische bezwaren of gegevens naar voren gebracht die tot een dergelijk onderzoek noodzaakten. De Raad is dan ook van oordeel dat in het geval van appellant het onder 6.1.1 tot en met 6.1.3 gesignaleerde gebrek in de bezwaarfase afdoende is hersteld.

6.2. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML omschreven belastbaarheid van appellant. Het Uwv heeft in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 september 2006 voldoende gemotiveerd dat het rapport van de orthopedisch chirurg Postma niet leidt tot een ander oordeel over de medische beperkingen van appellant. De bezwaarverzekeringsarts kan zich in grote lijnen vinden in de conclusies van Postma, nu deze in feite ongeveer dezelfde beperkingen aangeeft als in de FML weergegeven en deze tevens stelt dat appellant feitelijk wel de hele dag kan lopen, staan en zitten mits hij maar een goede afwisseling kan bewerkstelligen, zeker ook in eigen tempo. De bezwaarverzekeringsarts wijst erop dat appellant ongetwijfeld beperkt is ten aanzien van fysiek zware arbeid, maar dat daarmee voldoende rekening is gehouden bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Daarmee is tevens voldoende gemotiveerd dat er geen grondslag meer was om een urenbeperking aan te nemen.

6.3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt. In het rapport van de register-arbeidsdeskundige Jeurissen is nader toegelicht waarom appellant niet in staat is de functies te verrichten rekening houdend met zijn belastbaarheid en gezien de opleidings- en ervaringseisen. In de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 januari 2006, 11 januari 2007, 20 augustus 2007, 13 september 2007 en 3 februari 2009 is, alles bij elkaar genomen, naar het oordeel van de Raad toereikend en in overeenstemming met de daaraan in de jurisprudentie van de Raad gestelde eisen gemotiveerd dat de voor appellant geselecteerde functies in overeenstemming zijn met zijn in de FML omschreven belastbaarheid en ook met zijn bekwaamheden. Het gaat om de functies medewerker grafische industrie, zetters, voorbereiders (sbc-code 268010), wikkelaar, samensteller elektronische industrie (sbc-code 267050), meteropnemer

(sbc-code 315181) en de reservefunctie administratief medewerker (beginnend) (sbc-code 315090). Voor alle functies is vastgesteld dat staan en lopen op zijn minst regelmatig kortdurend voorkomt en dat vertreden mogelijk is. Ten aanzien van de signaleringen van mogelijke overschrijdingen is toegelicht waarom deze niet leiden tot een onaanvaardbare belasting. Ook is gemotiveerd dat appellant voldoet aan de vereisten van respectievelijk enige ervaring met computerwerk, een technische opleiding en het vermogen een interne opleiding te volgen.

7. Gelet op het feit dat eerst in hoger beroep een volledige motivering is gegeven van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Op grond van de overwegingen onder 6.3 ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens komt de vordering van de kosten van de uitgebrachte rapporten van de register-arbeidsdeskundige Jeurissen ad € 333,20 en € 144,80 voor toewijzing in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding

€ 1.766,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.766,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR