Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
07-4631 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4631 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 juni 2007, 06/4562 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.S. van de Pavert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was via een uitzendbureau werkzaam, als cateringmedewerkster voor 38 uur per week toen zij op 27 maart 1999 uitviel met psychische klachten. Met ingang van 25 maart 2000 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 1 april 2006 ingetrokken. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, doch met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid.

1.2. Bij besluit van 15 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 1 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat het medisch onderzoek van de zijde van het Uwv is gericht op het objectiveren van de klachten van appellante en dat dit heeft geleid tot het aannemen van diverse beperkingen. Voor het aannemen van verdergaande medische beperkingen zijn echter objectief medisch geen aanknopingspunten te vinden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat mede in aanmerking genomen de in beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 februari 2007 de toelichting die is gegeven bij de geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies voldoende is en dat met deze toelichting de geschiktheid van appellante voor deze functies voldoende is gemotiveerd. Nu eerst na het nemen van het bestreden besluit alle ten aanzien van de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn voorzien van de vereiste motivering heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling – kort weergegeven – dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld met de FML. Appellante heeft er evenals in beroep op gewezen dat haar klachten, voortvloeiend uit het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), niet serieus zijn genomen en niet zijn meegewogen. In elk geval zijn - in strijd met het Verzekeringsgeneeskundig protocol Chronisch vermoeidheidssyndroom van de Gezondheidsraad – de energetische beperkingen niet meegenomen. Appellante heeft voorts gewezen op de ter zitting van de rechtbank overgelegde rapportage van de psycholoog H. de Haas van Dorser van 7 mei 2007 waarin wordt gesteld dat appellante lijdt aan een depressie met suïcidale neigingen en dat deelname aan het arbeidsproces niet verantwoord is.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad schaart zich in grote lijnen achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML. Aan de door appellante in de beroepsfase overgelegde brief van H. de Haas van Dorser kan de Raad niet de door appellante gewenste betekenis achten. De rapportage van de psycholoog is nauwelijks onderbouwd, zulks in tegenstelling tot de goed gemotiveerde rapportage van 14 augustus 2006 van de bezwaarverzekeringsarts die appellante heeft gesproken op de hoorzitting van 21 juni 2006 en die tot de conclusie kwam dat toen van een psychiatrisch toestandsbeeld evenmin als op de in geding zijnde datum. De huisarts van appellante berichtte op 7 december 2005 nog niet over psychische klachten en op de in geding zijnde datum was appellante daar ook niet voor in behandeling en gebruikte zij evenmin medicijnen.

4.4. De Raad is niet kunnen blijken dat aan het van de zijde van het Uwv verrichte medisch onderzoek onzorgvuldigheden kleven dan wel dat dit onderzoek niet in lijn zou zijn met het door de gemachtigde van appellante genoemde adviesprotocol van de Gezondheidsraad van 12 april 2007. Er is wel degelijk aandacht besteed aan de vermoeidheidsklachten van appellante en volgens de bezwaarverzekeringsarts is er geen medische reden voor een urenbeperking naast de reeds gestelde uitgebreide beperkingen. De Raad leest in de brief van de huisarts van 7 december 2005 geen tegengestelde opvatting.

4.5. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 februari 2007 is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellante.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.L. de Gier.

JL