Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-6004 WAO + 08-196 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De Raad stelt vast dat het Uwv met besluit 2 te kennen heeft gegeven dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd vanwege gebreken in de arbeidskundige grondslag ervan. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 derhalve terecht gegrond verklaard. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat het Uwv bij rapportages van 6 augustus 2007 en 15 oktober 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Veugelaers afdoende heeft toegelicht dat de door Veugelaers in hoger beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant en dat de functies ook gelet op de opleidingskwalificatie passend zijn te achten voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6004 WAO + 08/196 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2007, 07/255 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft de Raad een nieuw besluit op bezwaar van 16 oktober 2007 en het daaraan ten grondslag liggende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009, waar appellant - met bericht - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die laatstelijk werkzaam was als schoonmaker/algemeen medewerker voor 39,5 uur per week, is op 25 maart 1997 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft appellant per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellants WAO-uitkering is met ingang van 31 maart 2006 ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2. Appellant heeft zich per 22 april 2006 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv in verband met een fractuur van de rechter arm.

1.3. De voor het Uwv werkzame arts H.B.G. Borninkhof heeft op 12 juni 2006 een medisch onderzoek verricht naar de beperkingen van appellant. Borninkhof concludeerde dat appellant per 22 april 2006 volledig arbeidsongeschikt te achten was als gevolg van een armfractuur. Borninkhof achtte appellant ten tijde van zijn onderzoek duurzaam inzetbaar voor arbeid zij het dat hij op psychisch vlak beperkingen had. Borninkhof heeft de belastbaarheid van appellant vastgelegd in een FML van 12 juni 2006. De arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit na functieduiding berekend op 3,88%. Het Uwv heeft daarop twee besluiten afgegeven aan appellant. Appellant is bij een op 24 juli 2006 gedateerd besluit medegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 22 april 2006 wordt vastgesteld op 80 tot 100%. Bij een ander besluit van gelijke datum (hierna: het besluit van 24 juli 2006) is aan appellant medegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 22 september 2006 wordt ingetrokken, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 21 juli 2006 is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De bezwaarverzekeringsarts heeft na dossieronderzoek, observatie ter hoorzitting en na raadpleging van de behandelend huisarts geen argumenten gevonden om af te wijken van het standpunt van de arts Borninkhof en de in de FML neergelegde beperkingen. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 13 december 2006 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juli 2006 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat besluit 1 op een deugdelijke medische grondslag berust. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het primair medisch onderzoek weliswaar is verricht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts, maar dat dit gebrek in de bezwaarfase is hersteld doordat de bezwaarverzekeringsarts zich voor zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op dossieronderzoek, observatie van appellant ter hoorzitting en het opvragen van informatie bij de huisarts van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van deze zorgvuldige inventarisatie van appellants klachten geen argumenten gevonden om af te wijken van het primair medisch onderzoek en van de in de FML van 12 juni 2006 voor appellant vastgestelde beperkingen. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat door de bezwaarverzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek is verricht. De rechtbank is verder uit hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd en de brief van zenuwarts J.J. van Straaten van 2 juli 2007 niet gebleken dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid onjuist is.

3.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het haar niet onjuist voorkomt dat appellant door het Uwv is ingedeeld in opleidingsniveau 2, maar dat het Uwv gelet de omschrijving van opleidingsniveau 2 in de ‘Standaard professionele eindselectie deskundige’ onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aan appellant voorgehouden functies ‘stikster meubelbekleding’, ‘productiemedewerker’ en ‘orderpicker’ geschikt zijn te achten voor appellant. De functies konden naar het oordeel van de rechtbank niet gebruikt worden voor de schatting, waardoor er slechts twee, en derhalve onvoldoende, functies resteerden om een schatting op te baseren. De rechtbank heeft besluit 1 wegens strijd met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, vernietigd, heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft tot slot een proceskostenveroordeling en een griffierechtvergoeding uitgesproken.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat besluit 1 op een juiste en zorgvuldige medische grondslag berust. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij lichamelijk en psychisch zodanig beperkt is dat hij in feite niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de in beroep overgelegde brief van zenuwarts Van Straaten van 2 juli 2007, waarin, zo stelt appellant, door de zenuwarts uitsluitsel gegeven wordt over de mate van zijn beperkingen ten tijde in geding. Verder heeft appellant nogmaals gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat er geen informatie is opgevraagd bij de (behandelend) artsen, en omdat het primaire medisch onderzoek niet is verricht door een verzekeringsarts en dit gebrek in bezwaar niet is hersteld.

5. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een arbeidskundig onderzoek verricht. De bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers concludeerde dat de twee resterende functies ‘assemblagemedewerker’ en ‘schoonmaker’ en de door hem, in het verlengde van de functie ‘stikster meubelbekleding’, bijgeduide functie ‘coupeuse’ berekend waren voor de belastbaarheid van appellant en ook wat opleidingsniveau betreft geschikt te achten waren voor appellant. Het verlies aan verdiencapaciteit is door de bezwaararbeidsdeskundige berekend op 12%. Het Uwv heeft bij schrijven van 3 januari 2008 een gewijzigd besluit op bezwaar van 16 oktober 2007 (hierna: besluit 2) ingezonden waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit 24 juli 2006 opnieuw ongegrond is verklaard.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten aanzien van de medische beperkingen van appellant en de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek heeft overwogen.

6.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. De Raad merkt allereerst op dat de bezwaarverzekeringsarts in bezwaar wel degelijk informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector, namelijk appellants huisarts, en beschikte over door de huisarts toegezonden informatie van de internist-nefroloog. De Raad is verder van oordeel dat de aan het primair medisch onderzoek klevende gebreken in bezwaar zijn hersteld. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak dienaangaande vermelde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad is tot slot niet gebleken dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft de van de behandelend sector afkomstige medische informatie meegewogen in zijn beoordeling en heeft daarin geen aanleiding gezien verdergaande beperkingen te formuleren dan in de FML van 12 juni 2006. De Raad is uit de brief van zenuwarts Van Straaten van 2 juli 2007 niet gebleken dat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onjuist is. De in de brief van Van Straaten vermelde klachten verschillen niet zozeer met de door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage vermelde klachten, zij dat Van Straaten bij de benoeming van deze klachten tot een ernstigere psychiatrische diagnose is gekomen. De Raad acht evenmin onderbouwd dat appellant op grond van maagklachten, schouderklachten rechts of osteochondritis zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv.

6.3. De Raad stelt vast dat het Uwv met besluit 2 te kennen heeft gegeven dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd vanwege gebreken in de arbeidskundige grondslag ervan. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 derhalve terecht gegrond verklaard.

6.4. Aangezien het Uwv met besluit 2 niet geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

6.5. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat het Uwv bij rapportages van 6 augustus 2007 en 15 oktober 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Veugelaers afdoende heeft toegelicht dat de door Veugelaers in hoger beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant en dat de functies ook gelet op de opleidingskwalificatie passend zijn te achten voor appellant.

6.6. Het beroep tegen besluit 2 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

6.7. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier, als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.L. de Gier.

KR