Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-4628 WWB + 07-4629 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu het geschil betrekking had op de vraag of appellanten nog wat van het College te vorderen hadden, is de Raad van oordeel dat appellanten (voldoende) procesbelang hadden om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep te kunnen komen. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbrekend procesbelang. Nu het beroep ontvankelijk was, is de Raad voorts van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de vraag in het midden heeft gelaten of het College het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Het gaat hierbij immers om een vraag die het bestuursorgaan en de bestuursrechter ambtshalve moeten beoordelen, nu deze de bevoegdheid van het bestuursorgaan bepaalt om het primaire besluit op grondslag van het bezwaar te heroverwegen. Ook om deze reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4628 WWB

07/4629 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2007, 07/290 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 13 januari 2009. Partijen zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Het College heeft bij besluit van 18 maart 2005 van appellanten € 10.564,49 teruggevorderd wegens ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 15 april 2004 tot en met 31 januari 2005. Appellanten hebben de vordering van € 10.564,49 op 22 april 2005 volledig voldaan.

1.3. Het College heeft het bezwaar van appellanten tegen dat besluit bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2005 gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering nader vastgesteld op € 4.067,76.

1.4. De Raad heeft bij uitspraak van 12 juni 2007, LJN BA7809, geoordeeld dat het College appellanten bij besluit op bezwaar van 5 juli 2005 niet heeft tekort gedaan door van appellanten € 4.067,76 terug te vorderen.

1.5. Door de uitspraak van 12 juni 2007 is in rechte komen vast te staan dat appellanten € 6.496,73 te veel hebben terugbetaald.

1.6. Het College heeft appellanten bij brief van 13 december 2005 mededeling gedaan van de restitutie van € 5.507,42. Dit bedrag is op 20 december 2005 op de bankrekening van appellanten overgemaakt. De overschrijving staat vermeld op een bankafschrift van 30 december 2005.

1.7. Namens appellanten heeft mr. Grégoire bij brief van 8 februari 2006 om een toelichting op de betaling van 20 december 2005 gevraagd. Naar aanleiding van de brief van het College van 16 februari 2006, waarbij een afschrift van de brief van 13 december 2005 was gevoegd, heeft mr. Grégoire namens appellanten bij brief van 21 februari 2006 bezwaar gemaakt tegen het restitueren van € 5.507,42. Appellanten stellen dat zij de brief van 13 december 2005 niet eerder dan bij de brief van 16 februari 2006 hebben ontvangen.

1.8. Het College heeft op 18 april 2006 nog € 989,31 op de bankrekening van appellanten overgemaakt.

2. Het College heeft het bezwaar bij besluit van 23 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het College stelt zich op het standpunt dat appellanten op 31 december 2005 hebben kunnen kennisnemen van de overschrijving van € 5.507,42 op het bankafschrift van 30 december 2005. Daarvan uitgaande is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift verstreken op 10 februari 2006. Het bezwaarschrift van appellanten is op 22 februari 2006 ingekomen en dus na het einde van de bezwaartermijn. Van omstandigheden die de overschrijding niet verschoonbaar doen zijn is het College niet gebleken.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang. De rechtbank heeft de vraag of het College het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding in het midden gelaten. De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep berust op het oordeel van de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat appellanten niets meer van het College te vorderen hebben.

3.2. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Aangevoerd is dat er wel procesbelang bestaat omdat er geen rente is vergoed.

3.3. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Gesteld is dat het College aan de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding niet is toegekomen omdat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2006, LJN AY8271, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.1.2. De Raad stelt vast dat de rechtbank haar oordeel, dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens ontbrekend procesbelang, gegrond heeft op een inhoudelijke beoordeling van het partijen verdeeld houdende geschil. De beoordeling of procesbelang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het aanhangig gemaakte geschil, is een andere dan de beoordeling of een of meer ter zake van dat geschil aangevoerde beroepsgronden doel treffen. Aan deze laatste beoordeling kan pas worden toegekomen nadat is vastgesteld dat het doel dat de indiener van het beroepschrift met het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en dat het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. In dat kader is geen plaats voor een inhoudelijke beoordeling van het partijen verdeeld houdende geschil.

4.1.3. Nu het geschil betrekking had op de vraag of appellanten nog wat van het College te vorderen hadden, is de Raad van oordeel dat appellanten (voldoende) procesbelang hadden om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep te kunnen komen. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbrekend procesbelang.

4.2. Nu het beroep ontvankelijk was, is de Raad voorts van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de vraag in het midden heeft gelaten of het College het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Het gaat hierbij immers om een vraag die het bestuursorgaan en de bestuursrechter ambtshalve moeten beoordelen, nu deze de bevoegdheid van het bestuursorgaan bepaalt om het primaire besluit op grondslag van het bezwaar te heroverwegen. Ook om deze reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.2 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of het College het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.

4.4. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.5. De Raad stelt vast dat het College appellanten bij brief van 13 december 2005 heeft bericht dat € 5.507,42 zo spoedig mogelijk zal worden gerestitueerd. De Raad is van oordeel dat deze brief, die betrekking heeft op de restitutie door het College van teveel terugbetaalde bijstand zozeer samenhangt met de terugvordering van bijstand, dat aan die beslissing het besluitkarakter niet kan worden ontzegd (vgl. de uitspraak van de Raad van 2 juli 2008, LJN BD6569). Dit betekent dat de brief van 13 december 2005, anders dan het College heeft aangenomen, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4.6. De Raad stelt verder vast dat de brief van 13 december 2005 verzonden is naar het laatst bij het College bekende adres van appellanten in Landgraaf. De Raad is van oordeel dat het daarin vervatte besluit daarmee deugdelijk is bekend gemaakt. Dat appellanten stellen die brief niet te hebben ontvangen doet daaraan niet af, nu appellanten het College, alhoewel daar in verband met de lopende beroepsprocedure alle aanleiding voor was, niet hebben ingelicht over hun nieuwe adres. Dit betekent dat de termijn voor het maken van bezwaar begon te lopen op 14 december 2005 en dat de laatste dag waarop nog bezwaar kon worden gemaakt 24 januari 2006 is. Namens appellanten is echter pas bezwaar gemaakt bij brief van 21 februari 2006. Dit betekent dat buiten de termijn bezwaar is gemaakt.

4.7. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.8. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, waarbij hij mede betekenis heeft toegekend aan het feit dat appellanten geen adreswijziging hebben doorgegeven.

4.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het College het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep tegen dat besluit dient ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding in de proceskosten van appellanten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat de gemeente Landgraaf het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.

(get.) R.M. van Male

(get.) B.E. Giesen

OA