Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-470 ZW + 07-1107 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerdere herzieningsbesluiten inzake terugvordering onverschuldigd betaalde ZW-uitkering. Nu het Uwv eerst in het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 17 januari 2007 een specificatie heeft gegeven van het van appellante terug te vorderen bedrag, heeft de rechtbank het besluit van 6 juli 2005 in zoverre terecht heeft vernietigd en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Met besluit 17 januari 2007 niet geheel tegemoet gekomen. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten dan wel kunnen zijn dat zij een te hoog bedrag aan ZW-uitkering ontving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/470 ZW + 07/1107 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2006, 05/2805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en de Raad in kennis gesteld van een nieuw besluit op bezwaar van 17 januari 2007.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord, waarop namens appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante, die werkzaam was als directiesecretaresse bij [naam werkgever], heeft zich op 26 maart 2002 ziek gemeld in verband met klachten van oververmoeidheid en griep. Op 11 april 2002 is haar dienstverband geëindigd.

1.3. Bij besluit van 26 juni 2003 (besluit 1) heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) herzien omdat de uitkering vanaf 26 maart 2002 abusievelijk naar 100% in plaats van 70% van het dagloon is uitbetaald. Bij besluit van 27 juni 2003 (besluit 2) heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 26 maart 2002 tot en met 31 december 2002 tot een bedrag van € 7.634,97 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 7 juli 2003 (besluit 3) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante herzien, omdat zij eerst met ingang van 11 april 2002 (datum uit dienst) recht had op ziekengeld. Bij besluit van 8 juli 2003 (besluit 4) heeft het Uwv besluit 2 herroepen en het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 8.189,16. Bij besluit op bezwaar van 19 november 2003 heeft het Uwv de besluiten 1 en 2 ingetrokken en het bezwaar tegen de besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

24 februari 2005 heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 februari 2005 heeft het Uwv op 6 juli 2005 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij is besloten het (eventueel) onverschuldigd betaalde ziekengeld over de periode van 26 maart 2002 tot 11 april 2002 niet terug te vorderen en over de periode van 11 april 2002 tot 1 januari 2003 een bedrag van € 6.554,52 wegens onverschuldigde betaling van appellante terug te vorderen omdat over die periode ten onrechte naar 100% in plaats van 70% van haar dagloon was uitbetaald. Tevens is de hoogte van het dagloon gecorrigeerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juli 2005 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak, alsmede bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellante 100% van haar dagloon kreeg uitgekeerd, en verwacht mag worden dat zij wist hoe hoog haar dagloon was, het haar redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat zij teveel ontving. Het feit dat appellante in december 2002 contact heeft opgenomen met het Uwv bevestigt dat volgens de rechtbank, zodat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. De rechtbank heeft het besluit van 6 juli 2005 evenwel vernietigd omdat het niet berust op een deugdelijke motivering, nu het Uwv geen overzicht van betalingen heeft overgelegd en niet te controleren valt of de berekening van het Uwv op een juiste grondslag berust. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien tot het toekennen van de door appellante verzochte schadevergoeding ter zake van de immateriële schade die zij geleden zou hebben door de lange duur van de procedure, omdat het Uwv daarop bij het nader te nemen besluit of bij een apart besluit dient te beslissen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar vanaf 11 april 2002 teveel ZW-uitkering is uitbetaald, omdat zij pas op 21 juni 2002 de eerste betaling ontving over de periode van 11 april 2002 tot 10 mei 2002 zonder specificatie en dat de hoogte van het dagloon bij haar niet bekend was. Zo er al een herziening met terugwerkende kracht dient plaats te vinden, dan dient deze volgens appellante te worden beperkt tot de periode vanaf 21 juni 2002. Voorts heeft appellante verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade ter hoogte van de in te houden heffingen.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 17 januari 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij is besloten het (eventueel) onverschuldigd betaalde ziekengeld over de periode 26 maart 2002 tot 11 april 2002 niet terug te vorderen en waarbij een specificatie is gegeven van het terug te vorderen bedrag van € 6.554,52 over de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002. Voorts heeft het Uwv de vordering van appellante wegens beweerdelijk geleden immateriële schade afgewezen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Nu het Uwv eerst in het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 17 januari 2007 een specificatie heeft gegeven van het van appellante terug te vorderen bedrag, is de Raad van oordeel dat de rechtbank het besluit van 6 juli 2005 in zoverre terecht heeft vernietigd en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Omdat met het besluit van 17 januari 2007 niet geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar van appellante zal de Raad, gelet op artikel 6:24 in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juli 2005 opvatten als mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 januari 2007.

5.2. In dit geding staat derhalve de vraag ter beantwoording of het Uwv de aan appellante toegekende ZW-uitkering terecht met terugwerkende kracht tot 11 april 2002 heeft herzien en terecht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 is overgegaan.

5.3. Ten aanzien van de grief van appellante dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij vanaf 11 april 2002 teveel ZW-uitkering ontving, overweegt de Raad het volgende.

In de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (Regeling van 18 april 2000, Stcrt. 89, zoals gewijzigd bij besluit van 7 augustus 2003, Stcrt. 154) wordt bepaald dat, in geval het belanghebbende niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de beslissing wordt herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop het Uwv belanghebbende voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of te veel is verstrekt.

5.4. De Raad merkt op dat uitbetalingen van uitkeringen steeds plaatsvinden na afloop van de periode waarop die betrekking hebben, tenzij er sprake is van voorschotbetalingen. Blijkens het door appellante overgelegde bankafschrift heeft zij op 21 juni 2002 over de periode van 11 april 2002 tot en met 10 mei 2002 ter zake van haar ZW-uitkering een betaling ontvangen van € 2.891,70 en over de periode van 11 mei 2002 tot en met 31 mei 2002 een bedrag van € 1.275,75. Gelet op de hoogte van eerstgenoemde betaling in vergelijking met het door appellante verdiende salaris, had het haar naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs duidelijk moeten dan wel kunnen zijn dat zij een te hoog bedrag aan ZW-uitkering ontving. Dat er bij appellante ook twijfel bestond omtrent de hoogte van de uitkering blijkt uit haar verklaring dat zij daarover kort na de ontvangst van de betaling telefonisch contact heeft opgenomen met het Uwv. Gelet hierop was of kon het ten tijde van de betaling met terugwerkende kracht aan appellante redelijkerwijs duidelijk zijn dat aan haar teveel was uitbetaald, zodat het Uwv ook tot herziening van de ZW-uitkering met terugwerkende kracht tot 11 april 2002 kon overgaan. Daarbij heeft het Uwv terecht de hoogte van de ZW-uitkering van appellante met ingang van 11 april 2002 vastgesteld op 70% in plaats van 100% van het door haar verdiende dagloon. Dat betekent dat het besluit van 17 januari 2007, voor zover dat betrekking heeft op de herziening per 11 april 2002, in rechte stand kan houden.

5.5. Nu vaststaat dat de ZW-uitkering van appellante terecht met ingang van 11 april 2002 is herzien, heeft het Uwv over de periode van 11 april 2002 tot en met 31 december 2002 aan appellante over 189 dagen teveel uitbetaald tot een bedrag van € 6.554,52. De hoogte van dit bedrag, zoals dat in het besluit van 17 januari 2007 inzichtelijk is gemaakt, wordt door appellante niet betwist. Gelet op het bepaalde in artikel 33 van de ZW was het Uwv verplicht tot terugvordering daarvan over te gaan. Dat betekent dat het besluit van 17 januari 2007, voor zover dat ziet op de terugvordering, in rechte stand kan houden.

5.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 tot en met 5.5 is overwogen, zal het beroep van appellante voor zover dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 17 januari 2007 ongegrond worden verklaard In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen gronden om het Uwv met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot toekenning van de door appellante verzochte schadevergoeding.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 januari 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR