Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-6698 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Werkzaam als zelfstandige. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. De Raad merkt in dit verband op dat het College met het oog op de goede en doelmatige uitvoering van de WWB moet kunnen afgaan op de juistheid en de volledigheid van de op de rechtmatigheidonderzoeksformulieren vermelde gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6698 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2007, 05/5100, 06/577 en 06/5429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haring en door de tolk M.A. van der Kleij. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 16 februari 2004 is appellant aangemeld bij re-integratiebedrijf SagEnn. SagEnn heeft op 27 februari 2004 een trajectadvies opgesteld. Dit advies is door een medewerker van de sociale dienst (rayon Zeeburg) voor levering ondertekend op 3 maart 2004. SagEnn heeft vervolgens een re-integratieplan opgesteld dat op 13 april 2004 door appellant is ondertekend. Dit plan is op 11 mei 2004 door een medewerker van de sociale dienst (rayon Zeeburg) voor akkoord ondertekend.

1.3. Op 6 oktober 2004 heeft een medewerker van sociale dienst een gesprek met appellant gevoerd. Vervolgens heeft die medewerker contact opgenomen met SagEnn en toestemming verleend appellant door te verwijzen naar de Centrale Afdeling Zelfstandigen (CAZ). Op 30 november 2004 heeft appellant aldaar een intakegesprek gehad. Van dit gesprek en het onderzoek naar aanleiding van dit gesprek is verslag gedaan in een rapportage van 3 december 2004. Vervolgens is naar aanleiding van het standpunt van CAZ dat het erop lijkt dat appellant al geruime tijd als zelfstandig ondernemer bezig is, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft op 15 december 2004 een gesprek met appellant plaatsgevonden. Appellant heeft toen diverse gegevens overgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 16 december 2004.

1.4. De resultaten van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 5 januari 2005 de bijstand van appellant met ingang van 10 september 2004 in te trekken en bij besluit van 17 maart 2005 de kosten van de over de periode van 10 september 2004 tot en met 30 november 2004 verleende bijstand tot een bedrag van € 3.687,51 van appellant terug te vorderen. De intrekking berust op de overweging dat appellant vanaf 10 september 2004 als zelfstandige werkzaam is.

1.5. Appellant heeft tegen de besluiten van 5 januari 2005 en 17 maart 2005 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om ter zake van het besluit van 5 januari 2005 een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank bepaald dat aan appellant met ingang van 7 april 2005 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voorschotten worden betaald ter hoogte van de voor appellant geldende bijstandsnorm. Het College heeft ter uitvoering van die uitspraak aan appellant over de periode van 7 april 2005 tot en met 30 juni 2005 een voorschot verleend van € 2.500,--.

1.6. In het kader van de behandeling van de bezwaarschriften tegen de besluiten van 5 januari 2005 en 17 maart 2005 is appellant bij brief van 23 juni 2005 uitgenodigd voor een hoorzitting op 4 juli 2005. Daarbij is verzocht om alle stukken te overleggen die betrekking hebben op de start van het opleidingsinstituut van appellant en met name de bankafschriften over 2005 van de zakelijke rekeningen.

1.7. Bij besluit van 20 september 2005, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft aan de handhaving van de intrekking alsnog ten grondslag gelegd dat appellant geen inlichtingen heeft verstrekt omtrent het starten van zijn onderneming per 10 september 2004 en evenmin de bij de brief van 23 juni 2005 gevraagde bankafschriften heeft overgelegd en dat als gevolg daarvan niet kan worden beoordeeld of appellant recht heeft op bijstand.

1.8. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2005 ongegrond verklaard.

1.9. Bij brief van 19 juni 2006, voor zover hier van belang, heeft het College appellant meegedeeld dat is besloten het aan hem over de periode van 7 april 2005 tot en met 30 juni 2005 verleende voorschot van € 2.500,-- van hem terug te vorderen.

1.10. Bij besluit van 29 september 2006, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 19 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 20 september 2005, 17 januari 2006 en 29 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bijstand, de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode 10 september 2004 tot en met 30 november 2004 en de terugvordering van het over de periode van 7 april 2005 tot en met 30 juni 2005 verleende voorschot.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5143 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 10 september 2004 tot en met 5 januari 2005.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.3. In aanmerking genomen dat de hier te beoordelen periode loopt van 10 september 2004 tot en met 5 januari 2005, is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat het feit dat appellant de bij brief van 23 juni 2005 gevraagde bankafschriften over 2005 niet heeft overgelegd niet aan de handhaving van de intrekking ten grondslag kan worden gelegd.

4.4.1.Ten aanzien van de vraag of appellant het College voldoende inlichtingen heeft verstrekt omtrent het starten van zijn onderneming per 10 september 2004, overweegt de Raad als volgt.

4.4.2. In het tot de gedingstukken behorende trajectadvies van SagEnn van 27 februari 2004 is vermeld dat appellant ver is gevorderd met het opzetten van een opleidingsinstituut, dat hij in januari 2004 is gestart met de eerste cursus en inmiddels drie leerlingen heeft en dat hij hulp krijgt van twee docenten van de HEAO die bij hem lesgeven. In het advies wordt verder opgemerkt dat appellant, als hij een paar leerlingen meer heeft, financieel onafhankelijk is. In het re-integratieplan van 13 april 2004 is vermeld dat appellant inmiddels vijf leerlingen heeft. Uit de gedingstukken blijkt verder dat op 10 september 2004 de [naam Stichting] (hierna: Stichting) is opgericht. De Stichting is op dezelfde datum ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister is appellant ‘general manager’ van de Stichting, heeft hij een volledige volmacht, maakt zijn echtgenote als penningmeester deel uit van het bestuur van de Stichting en is de Stichting gevestigd op zijn woonadres. In het tijdens het gesprek van 15 december 2004 door appellant overgelegde ondernemingsplan wordt appellant aangeduid als eigenaar van de Stichting. Blijkens de rapportage van 3 december 2004 heeft appellant verklaard dat hij sinds augustus 2004 lesgeeft en omzet draait, dat hij vier studenten heeft die les krijgen en dat hij twee docenten freelance heeft ingehuurd voor circa zes studenten.

4.4.3. Appellant heeft van zijn betrokkenheid bij de Stichting en van de in de vorige overweging genoemde bedrijfsactiviteiten en daarmee behaalde omzet aan het College geen melding gemaakt op de hem vanwege het College ter beschikking gestelde rechtmatigheidonderzoeksformulieren. Appellant heeft dat ter zitting desgevraagd bevestigd. Aangezien het hier gaat om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, betekent het voorgaande dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.4.4. Appellant heeft aangevoerd dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is omdat hij SagEnn volledig op de hoogte heeft gesteld van zijn bedrijfsactiviteiten en dat het College daarvan via SagEnn op de hoogte was. Hij wijst erop dat de medewerkers van de sociale dienst het trajectadvies van 27 februari 2004 voor levering en het re-integratieplan van 13 april 2004 voor akkoord hebben ondertekend. Deze grief treft geen doel. De Raad overweegt daartoe dat de omstandigheid dat het College bij nauwkeurige bestudering van het trajectadvies en het re-integratieplan had kunnen vaststellen dat appellant reeds in januari 2004 daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten had ontplooid, niet betekent dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake meer is. De Raad merkt in dit verband op dat het College met het oog op de goede en doelmatige uitvoering van de WWB moet kunnen afgaan op de juistheid en de volledigheid van de op de rechtmatigheidonderzoeksformulieren vermelde gegevens.

4.5. Nu als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellant gedurende de hier te beoordelen periode recht had op bijstand, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand met ingang van 10 september 2004 in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken.

4.6. Uit hetgeen onder 4.5 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de als gevolg van de intrekking onverschuldigd betaalde bijstand over de periode van 10 september 2004 tot en met 30 november 2004 van appellant terug te vorderen.

4.7. Aangezien de werking van het besluit tot intrekking zich ook uitstrekt over de periode na afloop van de hier beoordeelde periode van 10 september 2004 tot en met 5 januari 2004 dient er van te worden uitgegaan dat appellant ook van 7 april 2005 tot en met 30 juni 2005 geen recht had op bijstand. Dat betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bevoegd was de kosten van de over die periode bij wijze van voorschot verleende bijstand van appellant terug te vorderen.

4.8. De Raad stelt vast dat het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

4.9. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt

4.10. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

IJ