Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH8154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-5873 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op deze hoofdregel. In het onderhavige geval bestaat geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. Zorgvuldig medische onderzoek door de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde oogarts.Juiste vaststelling beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5873 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 augustus 2007, 06/1166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Reitsma, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reitsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als timmerman toen hij per 15 september 1986 uitviel in verband met visusproblematiek. Vervolgens is hem per einde wachttijd, te weten 15 september 1987, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. In 2006 heeft in het kader van een herbeoordeling met toepassing van het Schattings-besluit arbeidsongeschiktheidswetten verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 26 januari 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van

27 maart 2006 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 29 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 26 januari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. In het kader van het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank, met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, oogarts dr. H.J.B. van den Brom als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op 14 mei 2007 aan de rechtbank gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellant. In zijn rapport heeft Van den Brom uiteengezet dat bij appellant sprake is van een functieverlies van het linkeroog op basis van een chemisch trauma. Hierdoor is sprake van een reductie van de visuele capaciteit. Voorts heeft hij aangegeven dat hij kan instemmen met de door de verzekeringsarts aangenomen beperking ten aanzien van het aspect ‘zien’ en dat de visus van appellant geen grond is om het rijbewijs te ontzeggen. De deskundige laat zich niet uit over de passendheid van de functies of de noodzaak van een urenbeperking.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit dan ook op een juiste medische grondslag.

2.3. De arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsschatting heeft de rechtbank afdoende geacht. Nu echter deze onderbouwing eerst in de beroepsfase is gegeven heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Zijn klachten belemmeren hem in het hervatten van werkzaamheden in meer dan 32 uur per week. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij enkele stukken in het geding gebracht, waaronder een schrijven van bedrijfsarts A.P. Cornelius van

15 september 1993, een nota van psycholoog E.W. Pijpstra van 24 mei 2006 en een brief van Howerco van 30 september 1993. Ter zitting is door appellant aangevoerd dat zijn longklachten het afgelopen jaar zijn toegenomen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellant in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.3. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op deze hoofdregel. De Raad is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde oogarts Van den Brom een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld en zijn conclusies inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd. Naar aanleiding van reacties van appellant en van het Uwv op zijn rapport, heeft hij geen reden gezien om het rapport aan te vullen of te herzien.

Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde medische gegevens leidt de Raad voorts niet af dat de door de artsen van het Uwv en de deskundige ingenomen standpunten over de beperkingen van appellant, voor onjuist dienen te worden gehouden. De stelling van appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar een brief van Howerco uit 1993, dat voor hem een urenbeperking zou moeten gelden, kan niet slagen. De in het dossier aanwezige gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om appellant medisch beperkt te achten in het aantal te werken uren ten opzichte van de zogenoemde normaalwaarden. De Raad is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv zich voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant kon baseren op de mogelijkheden en de beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Ter informatie van appellant merkt de Raad op dat hij zich bij een toename van (long)klachten na de in geding zijnde datum van 27 maart 2006 tot het Uwv kan wenden.

4.4. Ten aanzien van de met de beoordeling van de medische grondslag nauw verweven vraag of de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn, overweegt de Raad dat eveneens genoegzaam is komen vast te staan dat deze functies voor appellant geschikt zijn te achten. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) H. Bedee.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MH