Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-5005 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat betrokkene ongeschikt is voor het eigen werk, doch met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemdeFML, geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5005 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2007, 06/6953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.T. Sick, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als medewerkster PZ in WSW-verband voor 32 uren per week. Op 22 juli 1993 is zij uitgevallen voor haar werk met rug- en schouderklachten en psychische klachten. Met ingang van 21 juli 1994 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 april 2006 herzien en berekend naar de mate van 25 tot 35%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, doch met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid.

1.2. Bij besluit van 11 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 1 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat er in 2005 sprake is van een verbetering van de gezondheidstoestand van appellante nu zij ten tijde van de datum in geding niet meer onder behandeling was voor psychische klachten en ook geen medicatie meer gebruikte. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat mede in aanmerking genomen de in beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 november 2006 de toelichting die is gegeven bij de geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies voldoende is en dat met deze toelichting de geschiktheid van appellante voor deze functies voldoende is gemotiveerd. Nu eerst na het nemen van het bestreden besluit alle ten aanzien van de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn voorzien van de vereiste motivering heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling – kort weergegeven – dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld met de FML. Appellante heeft er evenals in beroep op gewezen dat haar medische situatie voorheen door het Uwv steeds ernstig is geacht, zowel lichamelijk als psychisch en dat werkhervatting tot twee maal toe is mislukt. Appellante wijst er op dat zij sinds 1993 onafgebroken arbeidsongeschikt is geacht en dat zij slechts werkervaring heeft in WSW-verband. Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt een brief van haar huisarts van 7 september 2006 overgelegd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML. Aan de door appellante in de beroepsfase overgelegde brief van haar huisarts kan de Raad niet de door appellante gewenste betekenis achten. De huisarts zegt daarin onder meer dat nadat appellante medicatie in verband met hypothyreoidie had gekregen het ook met de psychische klachten veel beter gaat. Verder verklaart de huisarts dat hij absoluut niet in staat is de mate en mogelijkheden van werken in te schatten.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundigen van 10 juli 2006 en van 14 november 2006 is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellante.

4.5. De omstandigheid dat appellante slechts werkervaring heeft opgedaan met werk in WSW-verband brengt niet met zich mee dat zij niet geschikt zou zijn voor het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO. Voor zover appellante heeft beoogd te stellen dat zij, gelet op haar beperkte werkervaring en langdurig uitkeringsverleden problemen verwacht op de arbeidsmarkt merkt de Raad op dat ingevolge het zesde lid van artikel 18 van de WAO bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing wordt gelaten of de werknemer de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.L. de Gier.

JL