Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-460 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid 15 to 25%. Terugvorderingsbesluit. Het bestreden besluit heeft betreking op de datum 4 augustus 2002. Het Uwv moet een besluit nemen naar aanleiding van de ziekmelding van 13 maart 2002. De verzekeringsarts van het Uwv wordt niet opgeroepen als getuige: zelfs indien de arts zou hebben verklaard dat hij appellante voor 50% arbeidsongeschikt achtte, kan appellante hieraan niet een rechtens te honoreren verwachting ontlenen: de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid komt tot stand na onderzoeken door de verzekeringsarts én de arbeidsdeskundige. Appellante heeft niet aannemlijk gemaakt dat de depressieve stoornis al aanwezig was op de datum in geding. Arbeidskundige grondslag: de signaleringen bij de functiebelastingen van de geselecteerde functies zijn in hoger beroep voorzien van een voldoende toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/460 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2006, 04/6364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 oktober 2008 heeft het Uwv een rapport van bezwaararbeidsdeskundige L. Lind van dezelfde datum ingediend.

Namens appellante is een verklaring van psychiater W.H. Lionarons van 19 december 2008 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 07/6596 WAO. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. dr. Dayala voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen. Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 22 januari 1990 uitgevallen voor haar werk als ziekenverzorgster voor 32 uur per week wegens nek- en schouderklachten. Met ingang van 23 januari 1991 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die sinds 1 augustus 1991 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Appellante heeft nadien diverse functies verricht. Vanaf september 2001 is zij - naast werkzaam in haar eigen bedrijf sinds 1 september 2000 - werkzaam als secretaresse voor 20 uur per week. Op verzoek van appellante heeft verzekeringsarts J.S. Baldewsing op 5 februari 2002 een medisch onderzoek verricht naar de medische beperkingen. Door appellante was daarbij aangegeven dat zij maximaal 20 uur per week kon werken.

1.3. Op 13 maart 2002 heeft appellante zich ziek gemeld voor haar werk als secretaresse wegens toegenomen gewrichtspijnen en spanningsklachten.

1.4. Na het op 5 februari 2002 verrichte medisch onderzoek en het daarop gebaseerde arbeidskundig onderzoek, is appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht en is bij besluit van 18 juni 2002 de WAO-uitkering per 4 augustus 2002 ingetrokken. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 maart 2003 gegrond verklaard. Daarbij is een nieuw onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid aangekondigd.

1.5. In het kader van dit nieuwe onderzoek is appellante op 30 juli 2003 onderzocht door verzekeringsarts H. Borninkhof. Deze arts heeft in zijn rapport van dezelfde datum geconcludeerd dat appellante in staat is tot fysiek licht werk in een redelijk stofarme en normaal verwarmde omgeving. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 augustus 2003. Bij het arbeidskundig onderzoek is na functieduiding vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 22,08% bedroeg. Hierna is bij besluit van 12 augustus 2003 meegedeeld dat de WAO-uitkering van appellante op en na 4 augustus 2002 ongewijzigd berekend bleef naar een mate van arbeidsongeschiktheid 15 tot 25%.

1.6. Bij besluit van 20 augustus 2003 (hierna: terugvorderingsbesluit) heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de teveel ontvangen WAO-uitkering over de periode van 1 maart 2003 tot 1 september 2003 van haar wordt teruggevorderd.

1.7. In de bezwaarprocedure tegen het besluit van 12 augustus 2003 heeft de gemachtigde van appellante onder meer brieven overgelegd van medisch adviseur W.Ch. Völke van 22 november 2002, 26 november 2002 en van 7 november 2003 en een brief van psychiater D. Balraadjsing van 8 augustus 2003. Balraadjsing vermeldt in deze brief dat appellante sinds juni 2003 door hem wordt behandeld, dat hij bij appellante een depressieve stoornis heeft vastgesteld en dat werkhervatting op dit moment niet haalbaar is.

1.8. De bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans heeft in zijn rapport van 19 april 2004 de beschikbare medische gegevens gewogen. Ten aanzien van de brief van Balraadjsing heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat zijn standpunt niet inhoudelijk is onderbouwd en dat appellante in augustus 2002 nog niet onder psychiatrische behandeling was. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat in de vastgestelde FML, gelet op de aanwezige medisch objectiveerbare gegevens, voldoende beperkingen zijn aangegeven. Bij besluit van 10 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 12 augustus 2003 en

20 augustus 2003 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, de rechtsgevolgen ervan geheel in stand gelaten en beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zijn onderbouwd. Voorts is niet gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. In de beschikbare medische informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de overgelegde verklaringen van de psychiaters Balraadjsing van 8 augustus 2003, 17 oktober 2005 en 29 juni 2006 en W.H. Lionarons van 13 oktober 2006 niet zien op de data in geding, 4 augustus 2002 en 12 maart 2003. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat deze voldoende is onderbouwd, zij het dat dit pas in beroep is gebeurd. De rechtbank heeft ten aanzien van het terugvorderingsbesluit geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante € 411,50 dient terug te betalen, nu de mate van arbeidsongeschiktheid op goede gronden is vastgesteld op 15 tot 25%.

3. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit betwist. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben niet of onvoldoende rekening gehouden met de psychische toestand van appellante. De rechtbank heeft de overgelegde rapporten van de psychiaters ten onrechte terzijde gesteld op grond van de overweging dat de rapporten handelen over de toestand in een latere periode. De arts T. van Burkom van het Uwv had appellante destijds na medisch onderzoek voor 50% arbeidsongeschikt verklaard. Appellante heeft de Raad verzocht Van Burkom als getuige te horen. Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft appellante nog een verklaring van psychiater Lionarons van 19 december 2008 overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. De Raad merkt allereerst op dat het besluit van 12 augustus 2003 een vervolg is op het besluit van 24 maart 2003, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juni 2002 gegrond was verklaard en was meegedeeld dat dit besluit niet wordt gehandhaafd. De Raad verstaat deze mededeling als het herroepen van een besluit. Gelet op de herroeping van het (primaire) besluit van 18 juni 2002 is naar het oordeel van de Raad bij het besluit van 24 maart 2003 beslist op het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2002 in de zin van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv en de rechtbank hebben het besluit van 12 augustus 2003 dat is genomen naar aanleiding van het besluit van 24 maart 2003 daarom terecht opgevat als een besluit waartegen bezwaar openstond.

4.1.2. De Raad is verder van oordeel dat de datum in geding 4 augustus 2002 is. Zowel uit het besluit van 12 augustus 2003 als uit het bestreden besluit komt naar voren dat het Uwv in deze besluiten alleen een oordeel heeft gegeven over het recht van appellante op een WAO-uitkering per 4 augustus 2002. De omstandigheid dat verzekeringsarts Borninkhof in zijn rapport van 30 juli 2003 de belastbaarheid heeft beoordeeld per 52 weken na 13 maart 2002, leidt er niet toe dat van een andere datum in geding dan 4 augustus 2002 moet worden uitgegaan, mede omdat de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans in zijn rapport van 19 april 2004 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij de belastbaarheid per 4 augustus 2002 heeft beoordeeld. Bij de behandeling ter zitting van de Raad op 9 januari 2009 is verder gebleken dat partijen ervan zijn uitgegaan dat het besluit van 12 augustus 2003 en het bestreden besluit betrekking hebben op de datum 4 augustus 2002. Voor zover in de aangevallen uitspraak een oordeel is gegeven per 12 maart 2003, is dit derhalve onjuist. De Raad is overigens uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat het Uwv naar aanleiding van de ziekmelding van appellante per 13 maart 2002 een afzonderlijk besluit op grond van de WAO heeft genomen. Ten overvloede overweegt de Raad dat het op de weg ligt van het Uwv hierover nog een besluit te nemen.

4.1.3. De Raad ziet geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van appellante om als getuige te horen de arts Van Burkom, die werkzaam is voor het Uwv. De Raad overweegt hiertoe dat voor de stelling van appellante dat zij door Van Burkom voor 50% arbeidsongeschikt werd geacht, geen steun is te vinden in de gedingstukken. Voorts merkt de Raad hierbij op dat, zelfs indien Van Burkom zou hebben verklaard dat hij appellante voor 50% arbeidsongeschikt achtte, appellante hieraan niet een rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij door het Uwv voor 50% arbeidsongeschikt wordt geacht nu een verzekeringsarts niet een tot beslissen over de mate van arbeidsongeschiktheid bevoegd orgaan is. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid komt immers in beginsel pas tot stand na onderzoeken door zowel een verzekeringsarts als een arbeidsdeskundige.

4.2. De Raad heeft evenmin als de rechtbank redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar belastbaarheid voor arbeid per 4 augustus 2002. Appellante heeft in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat de door psychiater Balraadjsing in zijn brief van 8 augustus 2003 genoemde depressieve stoornis bij appellante al aanwezig was op de datum in geding, 4 augustus 2002. De Raad heeft daarbij betrokken dat in de brief van psychiater Balraadjsing is vermeld dat appellante pas sinds juni 2003 door hem behandeld wordt. Ook ten aanzien van de medische verklaringen die appellante nadien heeft overgelegd, met name in beroep van Balraadjsing van 17 oktober 2005 en 29 juni 2006 en psychiater Lionarons van 13 oktober 2006 en in hoger beroep van Lionarons van 19 december 2008, is de Raad niet gebleken dat deze betrekking hebben op de datum in geding. Appellante heeft derhalve geen medische argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om aan te nemen dat per de datum in geding onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen.

4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad gebleken dat met het in de beroepsprocedure ingediende rapport van bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur van 10 oktober 2005 niet alle signaleringen bij de functiebelastingen van de geselecteerde functies zijn voorzien van een toelichting. Tijdens het hoger beroep zijn met het rapport van bezwaararbeidsdeskundige L. Lind van 29 oktober 2008 de eerder nog niet toegelichte signaleringen toegelicht. De Raad acht deze toelichting voldoende, mede gelet op de eisen die hieraan zijn gesteld in zijn vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006, LJN AY9971). De Raad concludeert dan ook dat eerst in hoger beroep met laatstgenoemd rapport van Lind alsnog een afgeronde onderbouwing is gegeven voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4.4. Gelet op het overwogene in 4.2 en 4.3 ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

4.5. Tegen het oordeel in de aangevallen uitspraak over het terugvorderingsbesluit zijn geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Mede gelet op het overwogene in 4.4 ziet de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak niet in zoverre te bevestigen.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR