Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
07-760 WAO + 07-2296 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1. Blijvend gehele weigering WAO-uitkering in verband met schending door appellante van de controlevoorschriften. Rechtbank heeft dit besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv besluit 2 genomen. In hoger beroep heeft appellante een aantal punten van geschil naar voren gebracht. De Raad heeft het volgende overwogen. Voormalig werkgever van appellante aan merken als (derde) belanghebbende bij die besluitvorming. Vernietigingsgrond in de uitspraak van de rechtbank in een eerdere procedure liet wel degelijk de mogelijkheid open dat het Uwv ter voorbereiding van het nemen van besluit 1 met inachtneming van die uitspraak een nieuw medisch onderzoek gelastte. De betaling van het Uwv gedurende een zekere periode van de WAO-uitkering aan de werkgever is ten onrechte geschied. De werkgever heeft die betaalde uitkering in 2005 aan het Uwv teruggestort. De Raad vermag niet in te zien welke betekenis deze gang van zaken dient te hebben voor het oordeel van de rechtbank over besluit 1. Hoger beroep ten aanzien van besluit 1 en 2 slaagt niet. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij in hoger beroep is geen aanleiding. Voor een opdracht aan het Uwv dan wel de werkgever om aan appellante de resterende proceskosten na aftrek van de vergoede proceskosten te betalen, bieden de op de vergoeding van proceskosten betrekking hebbende bepalingen van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht geen basis.

In elke fase van geding kan aanvraag WAO-uitkering worden ingetrokken. Geen verval van rechtswege.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/760 WAO

07/2296 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 december 2006, 05/3239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen de [naam werkgever] (hierna: de werkgever)

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage, namens de werkgever meegedeeld als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen.

Desgevraagd heeft appellante geen toestemming verleend om haar medische gegevens ter kennis van de werkgever te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd het besluit op bezwaar van 30 maart 2007 en enkele op de voorbereiding van dat besluit betrekking hebbende stukken.

Appellante heeft bij brief van 18 augustus 2008 het hoger beroep nader toegelicht en enkele stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2008.

Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn. Namens de werkgever is verschenen mr. F.T.M. te Vette, advocaat te ’s-Gravenhage en kantoorgenote van de gemachtigde van de werkgever.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. De Raad heeft daarbij bepaald dat de – overeenkomstig de ter zitting gemaakte afspraak – ingezonden brief van de gemachtigde van de werkgever van 25 september 2008 aan de andere partijen in dit geding wordt voorgelegd ter reactie.

Het Uwv en appellante hebben op 3 onderscheidenlijk 17 november 2008 gereageerd op de brief van 25 september 2008.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder dat een tweede zitting wordt gehouden. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak, waarin wat betreft die feiten en omstandigheden mede is verwezen naar de eerdere tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2005, 04/2224.

1.2. De voorgeschiedenis, vermeld in de in 1.1 bedoelde uitspraken, komt er – kort gezegd – op neer dat appellante van 1 maart 1992 tot 1 april 2001 als projectleider in dienst is geweest van de werkgever en werkzaam was bij dan wel gedetacheerd was door de [naam werkgever]. Op 30 januari 2001 heeft appellante, die zich eerder ziek had gemeld op 3 oktober 1995 en op 18 november 1998, zich ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 24 april 2002 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 27 februari 2001 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van de door appellante gemaakte bezwaren tegen dit besluit en tegen de besluiten van eveneens 24 april 2002 en van 19 juni 2002, welke betrekking hebben op haar op 31 januari 2001 gedagtekende hersteldmelding met ingang van 23 januari 2002, heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 9 augustus 2004 de beide laatstgenoemde besluiten ingetrokken en het toekenningsbesluit van 24 april 2002 gewijzigd in die zin dat de ingangsdatum van de WAO-uitkering van appellante werd gesteld op 29 januari 2002. De rechtbank verklaarde bij haar uitspraak van 22 juni 2005, 04/2224, het beroep van appellante tegen het besluit van 9 augustus 2004 gegrond, vernietigde dat besluit en bepaalde dat het Uwv een nader besluit diende te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank onderschreef het uiteindelijke standpunt van het Uwv dat op de ziekmelding van appellante met ingang van 30 januari 2001 artikel 43a van de WAO niet van toepassing was en dat daarom voor appellante de wachttijd van 52 weken gold. De rechtbank overwoog voorts uitvoerig om welke redenen zij de aan het besluit van 9 augustus 2004 ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige rapporten niet in overeenstemming achtte met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschikt-heidswetten (hierna: het schattingsbesluit) en zij vernietigde daarom dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2005 op 27 oktober 2005 andermaal een besluit op het bezwaar (hierna: besluit 1) genomen. Ter voorbereiding van besluit 1 heeft het Uwv appellante op 16 september 2005 uitgenodigd voor een hoorzitting op 6 oktober 2005 en op 3 oktober 2005 voor een spreekuur van de verzekeringsarts op eveneens 6 oktober 2005. Appellante heeft op 27 september 2005 laten weten af te zien van de hoorzitting en op 4 oktober 2005 als haar mening gegeven dat de verzekeringsarts op dat moment niet gerechtigd was tot het verrichten van een medisch onderzoek. Vervolgens vernietigde (lees: herriep) het Uwv bij besluit 1 de toekenningsbeslissing van 24 april 2002 en trok het Uwv de WAO-uitkering van appellante in met ingang van de eerstvolgende betaaltermijn. Verder verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante in zoverre ongegrond dat niet kon worden bepaald of er sprake was van arbeidsongeschiktheid.

3. In de beroepsprocedure tegen besluit 1 heeft appellante andermaal uiteengezet dat het Uwv niet gerechtigd was om ter voorbereiding van besluit 1 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te gelasten omdat, zoals appellante al eerder had meegedeeld en zoals haar toenmalige gemachtigde ter zitting van de rechtbank van 1 september 2006 heeft herhaald, met de hersteldmelding met ingang van 23 januari 2002 haar aanvraag om een WAO-uitkering als ingetrokken dient te gelden.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen besluit 1 gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven over vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

4.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder andere geoordeeld dat het onduidelijk is hoe het aan besluit 1 ten grondslag gelegde primaire standpunt van het Uwv ( dat zag op een blijvend gehele weigering van WAO-uitkering in verband met schending door appellante van de controlevoorschriften), het subsidiaire standpunt (dat het Uwv in verband bracht met artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb) en het meer subsidiaire standpunt (naar aanleiding van de betekenis volgens appellante van haar hersteldmelding voor haar aanvraag) zich verhouden tot het uiteindelijke besluit 1 en dat het niet aanvaardbaar is dat onduidelijk blijft wat de rechtsgevolgen van besluit 1 zijn. Om die redenen kon naar het oordeel van de rechtbank besluit 1 niet in stand blijven wegens strijd met de artikelen 7:11, eerste en tweede lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb. Ter instructie van partijen sprak de rechtbank ten slotte als haar oordeel uit het geraden te achten dat het Uwv appellante nogmaals zou oproepen voor een medisch onderzoek.

5. In hoger beroep heeft appellante – onder verwijzing naar haar hersteldmelding – aangevoerd dat de rechtbank in de uitspraak van 22 juni 2005 niet aan het Uwv heeft opgedragen een nieuw medisch onderzoek te verrichten. Voorts heeft appellante gewezen op het feit dat haar werkgever ten onrechte € 57.626,89 aan WAO-uitkering heeft ontvangen, welke in 2005 door haar werkgever aan het Uwv is teruggestort. Ten slotte heeft appellante in haar ter zitting overgelegde pleitnota zich nog afgevraagd of een voormalig werkgever derde-belanghebbende kan zijn in een geding als het onderhavige.

6.1. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit op bezwaar van 30 maart 2007 (hierna: besluit 2) genomen.

6.2. Ter voorbereiding van besluit 2 heeft het Uwv appellante uitgenodigd voor een hoorzitting dan wel een spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts op 13 maart 2007. Om vergelijkbare redenen als door appellante gegeven bij de voorbereiding van besluit 1 heeft appellante aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven.

Het Uwv heeft vervolgens het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2002 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij onder andere overwogen door de opstelling van appellante niet in staat te zijn een mogelijk gebrek in de eerdere medische beoordeling te herstellen en voorts het standpunt te handhaven dat appellante op en na 29 januari 2002 volledig arbeidsongeschikt was.

7.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat appellante zich in verschillende fasen van de procedure op het standpunt heeft gesteld dat haar hersteldmelding met ingang van 23 januari 2002 meebrengt dat haar op 28 december 2001 gedagtekende aanvraag om een WAO-uitkering als ingetrokken diende te worden beschouwd. Desgevraagd ter zitting heeft appellante verklaard dat zij op grond van de WAO verplicht was om haar WAO-aanvraag te doen en dat zij van mening is dat met de door haar gedane hersteldmelding die aanvraag rechtens is komen te vervallen. De Raad is van oordeel dat het appellante vrijstaat om haar moverende redenen in elke fase van het geding, totdat onherroepelijk op haar aanvraag is beslist, deze aanvraag in te trekken. Van een dergelijke intrekking is de Raad bij gebreke van een daarop betrekking hebbende, uitdrukkelijke wilsverklaring van appellante evenwel niet gebleken. De Raad stelt voorts vast dat voor een verval van rechtswege van de aanvraag van appellante om een WAO-uitkering in de daarop van toepassing zijnde regelgeving geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden. Het Uwv heeft dan ook terecht beslist op de aanvraag om een WAO-uitkering van appellante bij gebreke van een intrekking daarvan.

7.2. De Raad stelt voorts vast dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit 2, zij het met een gewijzigde motivering, strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 april 2002. Nu met besluit 2 het besluit van 24 april 2002 is gewijzigd – het Uwv beschouwt immers appellante met ingang van een latere datum volledig arbeidsongeschikt dan bij het besluit van 24 april 2002 – zal de Raad besluit 2 beschouwen als een besluit waarbij, met wijziging van de ingangsdatum, het bezwaar van appellante gegrond is verklaard. De Raad is voorts van oordeel dat met besluit 2 niet wordt tegemoet gekomen aan het beroep van appellante tegen besluit 1 zodat dit beroep, met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

8.1. De Raad ziet, mede gelet op het verhandelde ter zitting, aanleiding zich bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak te beperken tot de door appellante in haar hoger beroepschrift en pleitnota opgeworpen en hiervoor in overweging 5 weergegeven punten van geschil.

8.2.1. De Raad overweegt in de eerste plaats – onder verwijzing naar bijvoorbeeld zijn uitspraken van 13 februari 2002 (LJN AD9985) en 30 mei 2008 (LJN BD3797) – dat ook in een situatie als de onderhavige waarin de besluitvorming van het Uwv met betrekking tot de aanspraak van appellante op een WAO-uitkering van invloed kan zijn op de aanspraak van appellante op wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit en derhalve op de omvang van de verplichting van de voormalige (overheids)werkgever ingevolge dat Besluit, niet valt in te zien dat die voormalige (overheids)werkgever niet zou hebben te gelden als (derde) belanghebbende bij die besluitvorming.

8.2.2. De Raad is voorts van oordeel dat, anders dan appellante meent, de in 1.2 vermelde vernietigingsgrond in de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2005, 04/2224, wel degelijk de mogelijkheid openliet dat het Uwv ter voorbereiding van het nemen van besluit 1 met inachtneming van die uitspraak een nieuw medisch onderzoek gelastte. De Raad wijst erop dat de rechtbank in haar overwegingen aangaf om welke redenen het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in strijd was met het geldende schattingsbesluit en dat volgens artikel 2, eerste lid, van dat besluit een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

8.2.3. Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat de betaling van het Uwv gedurende een zekere periode van de WAO-uitkering aan de werkgever ten onrechte is geschied en dat de werkgever die betaalde uitkering in 2005 aan het Uwv heeft teruggestort. De Raad vermag niet in te zien welke betekenis deze gang van zaken, wat daar verder ook van zij, dient te hebben voor het oordeel van de rechtbank over besluit 1.

8.3. Al hetgeen is overwogen in 7.2.1 t/m 7.2.3 brengt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8.4. De gronden welke appellante in hoger beroep heeft aangevoerd betreffen naar het oordeel van de Raad evenzeer besluit 2 en kunnen derhalve, nu zij, gelet op het overwogene in 7.3 de aangevallen uitspraak niet kunnen aantasten, ook niet tot de conclusie leiden dat besluit 2 rechtens onjuist is. Het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep van appellante dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

9. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. Voor een opdracht aan het Uwv dan wel de werkgever om aan appellante de resterende proceskosten na aftrek van de vergoede proceskosten te betalen, als ter zitting door appellante aan het slot van haar pleitnota verzocht, bieden de op de vergoeding van proceskosten betrekking hebbende bepalingen van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht geen basis.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

MH