Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
07-5729 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In beroep tegen toekenning WAO-uitkering. Geen sprake van geschiktheid voor de maatgevende functie per einde wachttijd. Uwv is niet alleen afgegaan op verklaring werkgever, maar heeft voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5729 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 oktober 2007, 05/1184 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar echtgenoot mr. drs. H.M.G. van den Dool, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante was in een omvang van 18 uur per week werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst bij een zorginstelling. Begin oktober 2001 heeft zij zich ziek gemeld wegens elleboogklachten alsmede nek- en schouderklachten. In juli 2002 heeft appellante een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.3. Er heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, op basis waarvan is geconcludeerd dat appellante niet meer (volledig) in staat is tot het verrichten van de eigen werkzaamheden, maar nog wel in staat is tot het verrichten van diverse andere loondienstfuncties, waarmee zij ten opzichte van het maatgevende inkomen geen relevant verlies aan verdiencapaciteit lijdt.

1.4. Bij een tweetal besluiten van 6 maart 2003 is achtereenvolgens aan appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 2 oktober 2003, een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en is deze uitkering met ingang van 24 april 2003 weer ingetrokken, op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.

2.1. Het bezwaar van appellante tegen het besluit tot toekenning van WAO-uitkering per 2 oktober 2003 is - in tweede instantie, na intrekking van een eerder besluit waarbij dat bezwaar gegrond was verklaard - ongegrond verklaard bij besluit van 15 januari 2004. Bij uitspraak van 17 juni 2004 heeft de rechtbank Middelburg het beroep tegen evenvermeld besluit van 15 januari 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

2.2. De rechtbank was van oordeel dat de beschikbare gegevens een onvoldoende basis vormden voor het standpunt van het Uwv dat op 1 oktober 2002 aan de wachttijd was voldaan. De gemotiveerde stelling van appellante over haar werkinzet bij de eigen werkgever gedurende de wachttijd achtte de rechtbank door het Uwv niet voldoende weersproken. Het is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante onafgebroken gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de WAO, aldus de rechtbank, hetgeen betekent dat niet is komen vast te staan dat is voldaan aan de wachttijd van artikel 19 van de WAO. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het besluit van 15 januari 2004 niet zorgvuldig is voorbereid en genomen en tevens een deugdelijke motivering ontbeert. Het besluit is vernietigd wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.1. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een nader onderzoek ingesteld naar de eigen werkzaamheden van appellante en in het bijzonder naar de werkzaamheden die appellante gedurende de wachttijd bij haar werkgever is blijven verrichten. Uit het desbetreffende rapport komt naar voren dat de bezwaararbeidsdeskundige onder meer heeft gesproken met de P&O-functionaris van de werkgever, terwijl die functionaris op zijn beurt enkele keren telefonisch overleg heeft gepleegd met de directe chef van appellante.

3.2. De resultaten van het onderzoek laten zich aldus samenvatten dat appellante volgens de werkgever ten tijde hier van belang niet in staat was haar eigen werk volledig te doen. In verband met haar lichamelijke klachten kon appellante niet werken met de boenmachine. In februari 2002 zou appellante hulp hebben gekregen van een collega, die de zwaardere taakonderdelen - tillen, dragen, sjouwen, boven schouderhoogte werken en dergelijke - voor haar rekening nam. Appellante is inderdaad steeds gedurende de volledige arbeidstijd blijven werken, maar verrichtte aldus niet meer voor 100% het eigen oorspronkelijke werk. Er zijn reeds in 2001 pogingen ondernomen om ander werk voor appellante te zoeken, dat gelet op haar beperkingen geschikter voor haar was, onder meer via een loopbaanbegeleidingstraject, maar zonder succes.

3.3. Vervolgens heeft ook de bezwaarverzekeringsarts een onderzoek ingesteld, bestaande onder meer uit overleg met de bedrijfsarts. Het hiervoor geschetste beeld werd hierbij bevestigd. Volgens de bedrijfsarts had appellante weliswaar een nagenoeg volledig loonwaarde in de door haar verrichte aangepaste werkzaamheden, maar is door de werkgever uitgegaan van een voortdurende arbeidsongeschiktheid, omdat appellante de oorspronkelijke werkzaamheden niet meer volledig kon verrichten. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de primaire verzekeringsarts bij onderzoek tijdens het spreekuur begin januari 2003 had vastgesteld dat de elleboogklachten waarmee appellante was uitgevallen inmiddels bleken te zijn verdwenen, maar dat de nek- en schouderklachten ondanks de toegepaste behandelingen waren blijven bestaan.

3.4. Gelet hierop en met inachtneming van de uitkomsten van het onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige, kwam ook de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat, gelijk waarvan de werkgever was uitgegaan, na de uitval van appellante van volledige geschiktheid voor de eigen functie geen sprake meer is geweest.

4. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 19 oktober 2005, hierna het bestreden besluit, het bezwaar van appellante tegen het toekenningsbesluit van 6 maart 2003 andermaal ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, na onder meer te hebben overwogen dat de in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige gegeven uitgebreide werkomschrijving van de maatgevende functie door appellante niet is betwist, zich kunnen stellen achter de door de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts op basis van hun respectieve onderzoeken getrokken conclusie dat van geschiktheid voor de maatgevende functie per einde wachttijd geen sprake is.

6. Appellante houdt in hoger beroep staande dat zij gedurende de gehele in aanmerking genomen wachttijd, derhalve van begin oktober 2001 tot 2 oktober 2002, volledig geschikt is geweest voor haar eigen werk en dat ook feitelijk - in volle omvang en in al zijn onderdelen - heeft verricht. Zij ontkent aldus ten stelligste dat zij gedurende de wachttijd aangepaste werkzaamheden heeft verricht. Appellante erkent overigens wel dat zij op enig moment voor haar eigen werk ongeschikt is geworden, maar het aanvangstijdstip daarvan situeert zij op - niet eerder dan - 21 oktober 2002 dan wel

15 januari 2005. Beide data worden in dit verband namens appellante genoemd.

7.1. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

7.2. De Raad overweegt in de eerste plaats dat, in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad, het Uwv met betrekking tot de in dit geding voorliggende vraag of appellante de wachttijd al dan niet heeft vervuld, niet slechts is afgegaan op de zienswijze van de werkgever, maar zich ter zake een zelfstandig oordeel heeft gevormd.

7.3. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts waarop het Uwv, na vernietiging door de rechtbank van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 15 januari 2004 wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering, dat oordeel thans heeft gegrond, blijk geven van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek.

7.4. De Raad heeft geen aanknopingspunten om de conclusies waartoe genoemde functionarissen zijn gekomen niet juist te achten. Gesteld noch gebleken is dat het Uwv de beperkingen van appellante niet juist zou hebben gewaardeerd. Uit de beschikbare medische gegevens valt met genoegzame zekerheid af te leiden dat appellante (ook) ten tijde hier van belang te kampen had met bepaalde (locomotorische) beperkingen als gevolg van haar nek- en schouderklachten, welke beperkingen zich met name deden gevoelen bij het verrichten van fysiek zwaardere werkzaamheden.

7.5. Voorts gaat de Raad, in navolging van de rechtbank, uit van de juistheid van de door de bezwaararbeidsdeskundige opgestelde uitgebreide omschrijving van het eigen werk van appellante. Daarvan uitgaande, heeft de Raad evenmin aanknopingspunten om voor onjuist te houden dat appellante, vanwege haar beperkingen, buiten staat was tot het verrichten van de zwaardere taakonderdelen van haar werk - zoals het tillen, dragen en leegmaken van emmers, het versjouwen en verzetten van meubels, het werken boven schouderhoogte zoals dat voorkomt bij zemen, ramen lappen, schoonmaken boven op kasten en het ophangen en afhalen van gordijnen - en dat zij die onderdelen, naar de bezwaararbeidsdeskundige heeft vastgesteld, ten tijde hier van belang feitelijk ook niet heeft verricht, althans niet zonder de hulp van een collega.

7.6. De enkele ontkenning door appellante, hoe stellig ook, volstaat daartoe niet. De Raad laat daarbij in het bijzonder wegen dat appellante haar weergave van de feiten niet aan de hand van enig concreet gegeven, bijvoorbeeld een verklaring van collega’s, heeft gestaafd.

7.7. Ten slotte kan de Raad er ook niet aan voorbijzien dat appellante zelf in juli 2002 een WAO-uitkering heeft aangevraagd. Dit gegeven wijst, zeker in samenhang bezien met het feit dat appellante ook nog pogingen heeft ondernomen om bij haar werkgever andere, lichtere werkzaamheden te gaan verrichten, toch onmiskenbaar in de richting dat ook appellante zelf van mening was niet langer (volledig) geschikt te zijn voor haar eigen functie als huishoudelijk medewerkster.

7.8. De Raad komt tot de slotsom dat het Uwv terecht ervan is uitgegaan dat appellante in verband met de bij haar vastgestelde beperkingen gedurende de in aanmerking genomen wachttijd niet ten volle in staat is geweest tot het verrichten van het eigen werk, dat de haar in die periode door haar werkgever gedane betalingen moeten worden gezien als doorbetaling van loon om reden dat sprake was van ongeschiktheid voor de bedongen arbeid als bedoeld in artikel 629 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en dat op 2 oktober 2002 de wachttijd was vervuld.

8. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R. Kruisdijk en F.P. Dresselhuys-Doeleman als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR