Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-4684 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Belastbaarheid juist vastgesteld. Geschiktheid geduide functies. Opleidingsniveau van appellante voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4684 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2007, 06/2653 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 januari 2009 heeft appellante een aantal medische stukken ingestuurd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 februari 2009. Appellante is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als fulltime visverwerkster toen zij zich op 11 maart 1992 voor die werkzaamheden heeft ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 10 maart 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft de arts I.A.K. Snel appellante onderzocht tijdens een spreekuurcontact. Blijkens het rapport van 11 april 2006 en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum heeft deze arts geconcludeerd dat appellante is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Tevens is appellante beperkt wat betreft omgaan met conflicten en horen in situaties met achtergrondgeluiden en in groepen. Naar aanleiding van de brief van de behandelend psychiater dr. J.M.T. van Griensven van 12 mei 2006 heeft Snel op 23 mei 2006 aanvullend gerapporteerd en geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft om de FML van 11 april 2006 te wijzigen. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige F. Luijkx blijkens een rapport van 31 mei 2006 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op nihil. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 14 juni 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 14 augustus 2006 ingetrokken.

1.4. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis. Deze verzekeringsarts, die bij de hoorzitting aanwezig is geweest en dossierstudie heeft verricht, heeft in het rapport van 21 september 2006 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Wel heeft deze verzekeringsarts de FML op 21 september 2006 nog aangepast in verband met beperkende toelichtingen op een aantal items. Bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens heeft vervolgens de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld en in het rapport van 1 november 2006 geconcludeerd dat een aantal functies komt te vervallen. Er blijven echter voldoende functies over om de schatting op te baseren, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd minder dan 15% blijft. Bij besluit van 3 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Vanwege de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts in de beroepsprocedure de FML nog heeft aangepast op de aspecten lezen en schrijven omdat appellante analfabeet is, heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank vervolgens geheel in stand gelaten, nu naar haar oordeel het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante ongeschikt te achten.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellante handhaaft in het bijzonder haar stelling dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. Tevens dient volgens appellante de functie van medewerker tuinbouw (sbc-code 111010) te vervallen omdat daarvoor enkele jaren basisonderwijs is vereist en zij daaraan niet voldoet.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Daaraan voegt de Raad nog toe dat de in hoger beroep namens appellante nader ingebrachte brief van 18 december 2007 van psychiater dr. J.M.T. van Griensven geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit, zoals ook door bezwaarverzekeringsarts Schnitger-Horsthuis is geconcludeerd in het ter zitting van de Raad overgelegde rapport van 4 februari 2009. Met deze bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat ook uit deze brief blijkt dat er geen psychiatrische diagnose is gesteld. De differentiaal diagnose is ongewijzigd. De brief bevat geen nieuwe medische gegevens die van betekenis zijn voor de voor appellante ten tijde hier van belang vastgestelde belastbaarheid. Dit geldt eveneens voor de journaalprint van de huisarts van 21 januari 2009. De overige ingezonden stukken zijn verwijsbrieven en afspraakbevestigingen en dateren eveneens van ver na de datum in geding. Mede gelet op het vorenstaande onderschijft ook de Raad de medische onderbouwing van het bestreden besluit. In het vorengaande ligt besloten dat geen aanleiding bestaat om een deskundige te raadplegen.

4.3. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met de arbeidskundige rapporten van 1 november 2006 en 14 februari 2007 is genoegzaam toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van medewerker tuinbouw (sbc-code 111010), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172) en inpakker (sbc-code 111190) geschikt te achten zijn voor appellante. Ten aanzien van het vereiste opleidingsniveau voor de functie van medewerker tuinbouw overweegt de Raad dat appellante voorheen werkzaam is geweest als visverwerkster. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies betreffen soortgelijke, eenvoudige productiefuncties, waarbij alleen mondelinge instructies worden gegeven. De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat appellante gelet op het gevraagde opleidingsniveau niet in staat is om de geduide functies uit te voeren.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR