Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-3924 WAO + 07-4123 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Dubbel beroep. Rechtbank heeft besluit vernietigd omdat het besluit op ontoereikende medische grondslag berust. De Raad oordeelt anders. Geselecteerde functies zijn passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3924 WAO, 07/4123 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 5 juni 2007, 06/2557 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Zowel betrokkene als het Uwv hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. G.P. de Vries. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.M.A. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1. De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld worden door partijen niet betwist en vormen derhalve ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

2. Bij besluit op bezwaar van 3 november 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de beslissing gehandhaafd om de aan betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, te herzien en - op basis van een theoretische schatting - met ingang van 1 augustus 2006 nader vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd omdat het naar het oordeel van de rechtbank niet op een toereikende medische grondslag berust zulks - samengevat weergegeven - omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen aanleiding is een beperking of beperkingen aan te nemen voor wat betreft het gebruik van de rechterarm en -hand. Daarbij is het Uwv opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en zijn aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht en de aan de zijde van betrokkene gevallen proceskosten.

4.1. Het hoger beroep van betrokkene keert zich tegen de verwerping door de rechtbank van haar stelling dat zij niet in staat is om vier uur per dag te werken, maar maximaal één uur per dag werkzaam kan zijn. Zij wijst hierbij (evenals in bezwaar en beroep) op de brief van de huisarts van 8 december 2005. Deze arts stelt dat betrokkene slechts één uur achtereen tot activiteiten in staat te achten is. De verzekeringsarts heeft betrokkene blijkens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 september 2006 in staat geacht om 4 uur per dag te werken. Volgens betrokkene had het Uwv aan de huisarts om een nadere medische onderbouwing moeten vragen, nu de meningen van de huisarts en het Uwv niet overeenkomen en onder de verzekeringsartsen verschil van mening bestond over het aantal uren dat betrokkene in staat is te functioneren.

4.2. Het Uwv heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de klachten aan de rechterarm en -hand van betrokkene voldoende zijn meegenomen bij het vaststellen van de beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen beperkingen behoeven te worden aangenomen voor het gebruik van de rechter arm en -hand.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Wat betrokkene ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt slechts een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep was aangevoerd. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft betrokkene in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv inzake de omvang waarin betrokkene op de datum in geding, 1 augustus 2006, werkzaam kan zijn. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

5.2. Ten aanzien van het hoger beroep dat is ingesteld door het Uwv overweegt de Raad dat het blijkens de rapportages van de verzekeringsarts J.H.J. Kuckelkorn d.d. 9 februari 2006 en de bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis d.d. 26 september 2006 bekend was dat betrokkene een brace draagt. Bij lichamelijk onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts geen objectiveerbare afwijkingen aan de arm gevonden. De vermindering van de knijpkracht van de rechterhand wordt gezien als deconditionering als gevolg van het jarenlang dragen van een brace. Vanuit medisch oogpunt zag de bezwaarverzekeringsarts geen reden om daarvoor beperkingen toe te kennen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in beroep gereageerd op de brief van revalidatiearts L. van der Dussen van 8 augustus 2006. In de rapportage van 16 januari 2007 komt zij tot de conclusie dat er vanuit de beschikbare informatie geen argumenten zijn voor verdergaande beperkingen.

5.3. De Raad kan de overweging van de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om beperkingen aan te nemen voor het gebruik van de rechterhand niet onderschrijven. In de brief van de revalidatiearts waarin slechts is vermeld dat de polsprothese rechts vervangen zal worden, en waarin, zoals van de zijde van het Uwv terecht is opgemerkt, door de revalidatiearts niet is aangegeven dat er een medische indicatie bestaat om een brace te dragen, ziet de Raad geen aanleiding gelegen om het onderzoek als onvoldoende zorgvuldig, of de conclusie als onvoldoende onderbouwd, aan te merken. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts haar standpunt dat er geen aanleiding is om beperkingen aan te nemen ten aanzien van het gebruik van de rechter arm en hand genoegzaam en deugdelijk heeft gemotiveerd.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.

6. De Raad ziet ten slotte, mede gelet op de reactie van het Uwv van 6 oktober 2008 op een vraag van de Raad over de geschiktheid van de functie productiemedewerker karton (sbc-code 111174) geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van betrokkene voor het verrichten van de voor haar als passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde functies voor 20 uur per week.

7. Gelet op het hiervoor overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het inleidend beroep van betrokkene ongegrond te worden verklaard.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR