Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-3765 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Onjuiste en onvolledige informatie over woonadres verstrekt. Feitelijke situatie. Beleid niet onredelijk. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3765 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 juni 2007, 06/1018 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zee. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Veenstra, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1 januari 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres, [adres] te [woonplaats] waar hij sinds 1 april 2001 stond ingeschreven, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn diverse huisbezoeken afgelegd, is appellant gehoord en zijn getuigen gehoord. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 25 januari 2006, heeft het College bij besluit van 18 januari 2006 het recht op uitkering van appellant over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 januari 2005 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 39.405,51 van hem teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant over de gehele in geding zijnde periode onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres.

In navolging van de rechtbank verwijst de Raad hiertoe naar de bevindingen bij het op 28 januari 2005 afgelegde huisbezoek, waarbij een niet bewoonde kamer werd aangetroffen met daarin een - als meest recent - uit 2001 daterend poststuk, het door appellant achteraf opgemaakte huurcontract dat is geantedateerd op 2 april 2001, de verklaring van medebewoner [naam medebewoner] dat appellant nimmer op het adres [adres] heeft gewoond, de omstandigheid dat appellant voornamelijk geld pint bij automaten die niet in de nabijheid zijn gelegen van het [adres] en de verklaringen van appellant en [naam partner] dat appellant drie keer per week bij haar slaapt en verder - altijd al - vaak verblijft op verschillende adressen. De Raad voegt hieraan nog toe het feit dat voor de verzekering van de snorfiets van appellant een ander adres is opgegeven dan het [adres].

4.3.1. Naar aanleiding van de - niet onderbouwde - stelling van appellant dat [D.] zelf niet woonachtig zou zijn op het [adres], verwijst de Raad naar de aanvullende rapportage van 19 juli 2005 van het afgelegde huisbezoek, waaruit blijkt dat de kamer van [D.] volledig was ingericht en wel een bewoonde indruk maakte.

4.3.2. Aan de door appellant ingebrachte verklaringen van (kroeg)vrienden kan niet het gewicht worden toegekend dat hij daaraan wenst toe te kennen. Nog daargelaten dat deze verklaringen de conclusie lijken te onderschrijven dat appellant voornamelijk elders verbleef dan op het [adres], zijn het ongedateerde, niet gespecificeerde verklaringen.

4.3.3. Anders dan appellant acht de Raad ten slotte de resultaten van het eerder in 2002 ingestelde onderzoek naar de woonsituatie van appellant en eventuele samenwoning van appellant met [naam partner] niet van belang, nu dat onderzoek niet is gebruikt als basis voor de besluitvorming.

4.4. De onder 4.2 genoemde gegevens bieden naar het oordeel van de Raad voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk op het door hem opgegeven adres woonde, terwijl voorts onduidelijk is gebleven waar hij dan wel feitelijk verblijf hield. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet doorgeven van het juiste woon- of verblijfadres het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld.

4.5. In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 januari 2005. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand.

4.6. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem ter zake van intrekking en terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van die beleidsregels had moeten afwijken.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Th.C. van Sloten en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. Waasdorp.

RB