Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-4604 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Geen melding gemaakt van de inschrijving van echtgenote bij de Kamer van Koophandel als algemeen directeur van vervoersbedrijf en van het zakelijk gebruik van auto’s van dit bedrijf door appellant met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Schending inlichtingenverplichting. Beleid niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4604 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juni 2007, 06/3075 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 07/4605 WWB en 07/4606 WWB, plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonsen-Lemmers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Rijswijk. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote] (hierna: [echtgenote]), hebben voorheen een vervoersbedrijf geëxploiteerd. Dit bedrijf is op 10 december 2003 failliet verklaard.

De bedrijfsactiviteiten zijn voortgezet door de zoon van appellant en [echtgenote] onder de naam [naam vervoersbedrijf 1] en [naam vervoersbedrijf 2] (hierna: [vervoersbedrijf]). Met ingang van 22 juni 2004 is aan appellant een aanvullende bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant en [echtgenote] werkzaamheden verrichten is door de sociale recherche Leidschendam-Voorburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Daarbij is onder meer informatie ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer en de Kamer van Koophandel, en zijn appellant en [echtgenote] verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2005.

1.2. Bij besluit van 2 december 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 19 januari 2005 ingetrokken en voorts per 1 december 2005 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 9 december 2005 zijn van appellant en [echtgenote] de kosten van bijstand over de periode van 19 januari 2005 tot en met 30 november 2005 teruggevorderd tot een bedrag van € 3.066,89. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van de inschrijving per 19 januari 2005 van [echtgenote] bij de Kamer van Koophandel als algemeen directeur van [vervoersbedrijf] en van het zakelijk gebruik van auto’s van dit bedrijf door appellant met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 6 maart 2006 zijn de tegen de besluiten van 2 en 9 december 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak is het niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op (aanvullende) bijstand heeft.

4.2. Uit de stukken blijkt dat [echtgenote] sedert 19 januari 2005 bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als algemeen directeur van [vervoersbedrijf]. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat dit een, voor de toepassing van de WWB, relevant gegeven is, aangezien een dergelijke inschrijving een bepaalde waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigt. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat in dit geval zonder deze inschrijving (voortzetting van) de exploitatie van het vervoersbedrijf [vervoersbedrijf] niet mogelijk was geweest. De zoon van appellant beschikte immers ten tijde in geding niet over de vereiste papieren voor de uitoefening van het bedrijf. Daarnaast kan uit de door appellant tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring worden afgeleid dat hij mede ten behoeve van de bedrijfsuitvoering zo nu en dan hand- en spandiensten verrichtte. Door van de betrokkenheid van zowel [echtgenote] als appellant bij [vervoersbedrijf] geen melding te maken bij het College heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde in geding niet is vast te stellen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van appellant niet met objectieve gegevens aannemelijk is gemaakt dat hij bij correcte melding van een en ander niettemin recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode in geding in te trekken. Naar het oordeel van de Raad heeft het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot intrekking.

4.3. Met hetgeen onder 4.2 is overwogen is tevens gegeven dat het College ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 19 januari 2005 tot en met 30 november 2005 terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad (al eerder bij uitspraak van 7 augustus 2007, LJN BB1384) niet onredelijk geachte, beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moet afwijken.

4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Th.C. van Sloten en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. Waasdorp.

RB