Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
07-4289 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Niet voldaan aan wekeneis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4289 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juni 2007, 07/170 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.M. van Haaften.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft vervolgens bij brief van 31 juli 2008, onder bijvoeging van stukken, een nader standpunt ingenomen. Daarop heeft appellant, eveneens onder bijvoeging van stukken, bij brief van 23 augustus 2008 gereageerd. Het Uwv heeft daarop van zijn kant weer gereageerd bij brief van 3 november 2008 waarop appellant bij brief van 16 november 2008, aangevuld bij brief van 27 november 2008, weer heeft gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend verdere behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is van 1 augustus 1999 tot en met 31 juli 2006 werkzaam geweest als F&A manager bij [naam werkgever 1] te [vestigingsplaats]. Hij werkte één dag per maand gedurende 12 uur. De aanvraag van appellant tot toekenning van een WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2006 heeft het Uwv bij besluit van 25 augustus 2006 afgewezen op de grond dat appellant niet aan de zogeheten wekeneis van artikel 17 van de WW voldoet. Bij besluit van 27 december 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dat standpunt gehandhaafd.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd op de grond dat daarbij de afwijzing van de WW-uitkering op een onjuiste wettelijke bepaling is gebaseerd. In dat besluit is vermeld dat appellant niet voldeed aan het vereiste dat hij in de 39 weken voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer heeft gewerkt. Sedert 1 april 2006 geldt als referteperiode 36 weken waarbinnen 26 weken als werknemer moet zijn gewerkt. De rechtbank heeft, met bepaling dat het griffierecht aan appellant moet worden vergoed, beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed appellant niet aan laatstgenoemde wekeneis. De rechtbank heeft tevens het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

3.2. Het beroep van appellant richt zich tegen dat deel van de aangevallen uitspraak waarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Gelet op de gedingstukken kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat appellant niet voldoet aan de wekeneis. De periode van 36 weken voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid op 1 augustus 2006 wordt wegens arbeidsongeschiktheid met toepassing van artikel 17a van de WW verlengd met het tijdvak van 28 november 2005 tot 11 april 2006. De referteperiode loopt dan van 12 juli 2005 tot 1 augustus 2006. Uit de op deze periode betrekking hebbende werkbriefjes blijkt dat appellant in acht weken voor[naam werkgever 1] heeft gewerkt. Ook indien daarbij nog een vakantie in mei 2006 zou worden opgeteld, is evident dat appellant niet voldoet aan het vereiste dat in 26 weken is gewerkt. Appellant miskent in zijn reactie van 23 augustus 2008 dat het niet gaat om het aantal gewerkte dagen in een week, maar om het aantal weken waarin als werknemer is gewerkt.

4.2. Voorts heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de weken waarin appellant voor [naam werkgever 2] werkzaamheden als werknemer heeft verricht niet in aanmerking kunnen worden genomen omdat de werkzaamheden voor[naam werkgever 1] niet in de plaats zijn gekomen van die voor [naam werkgever 2]. Beide dienstverbanden bestonden naast elkaar terwijl het dienstverband met laatstgenoemde werkgever ten tijde van het intreden van de werkloosheid nog voortduurde.

4.3. Appellant heeft zich erop beroepen dat hij in een dienstverband met een soortgelijk arbeidspatroon bij [naam werkgever 3] heeft gewerkt en dat hem ter zake van uit dat dienstverband per 24 mei 2004 ontstane werkloosheid wel een WW-uitkering is toegekend. Het Uwv heeft het toekenningsbesluit van 18 oktober 2004 overgelegd. Terzake van die toekenning stelt het Uwv dat dit ten onrechte is gebeurd maar dat niet op die toekenning wordt teruggekomen. Op basis van de voorhanden gegevens - appellant heeft geen andere gegevens ingebracht - heeft het er alle schijn van dat die toekenning ten onrechte heeft plaatsgehad. Volgens vaste rechtspraak van de Raad behoeft een uitvoeringsorgaan niet een gemaakte fout te herhalen. Het beroep op het besluit van 18 oktober 2004 kan appellant derhalve niet baten.

4.4. Appellant heeft zich er ook nog op beroepen dat het Uwv met de onderhavige afwijzing van zijn aanvraag heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Met de rechtbank constateert de Raad dat appellant daaraan geen enkele onderbouwing heeft gegeven.

4.5. De Raad verwerpt het beroep van appellant op een hardheidsclausule. Een dergelijke clausule kent de WW niet. De Raad wijst appellant er tot slot nog op dat het hier een dwingende wetsbepaling betreft die het Uwv noch de rechter vanwege een door appellant onredelijk geachte uitkomst buiten toepassing kan laten.

4.6. Hetgeen appellant verder nog heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid.

5.1. Op grond van het hiervoor overwogene concludeert de Raad dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW