Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
07-4187 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. FML juist vastgesteld. Beperkingen ten aanzien van oogklachten, houdt in dat er eigenlijk alleen een probleem is bij directe inval van fel licht in de ogen. Uit de omschrijving van de werkzaamheden in de functies kan in voldoende mate worden afgeleid dat die bezwarende omstandigheden zich niet voordoen. CBBS tijdig aangepast aan de door de Raad gestelde voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4187 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 juni 2007, 06/3865 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als kwaliteitsmedewerkster op een laboratorium, toen zij op 15 maart 1999 uitviel met schildklierklachten en daarmee samenhangende oogklachten. In verband daarmee is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante heeft haar werkzaamheden later deels hervat, in verband waarmee haar WAO-uitkering laatstelijk vanaf 1 november 2003 is gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 20 september 2004 heeft het Uwv per 21 november 2004 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht. Bij besluit van 27 juni 2005 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 12 januari 2006 heeft de rechtbank Arnhem het beroep van appellante tegen het besluit van 27 juni 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de voor appellante in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2004 opgenomen arbeidsbeperkingen. De rechtbank is echter van mening dat de arbeidskundige bezwaren van appellant ten onrechte niet aan een bezwaararbeidsdeskundige zijn voorgelegd en tevens dat het besluit in arbeidskundige zin onvoldoende is gemotiveerd. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.4. Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante opnieuw ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport d.d. 9 mei 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige Z. Eggink. Uit het besluit blijkt dat de intrekking van de WAO-uitkering niet langer is gebaseerd op de gestelde geschiktheid van appellante voor haar eigen werk, maar alleen op haar geschiktheid voor de geduide functies.

2. Het beroep van appellante tegen dit besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische grondslag van het besluit niet meer ter discussie kan staan en dat de arbeidskundige gronden van het beroep geen doel treffen.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de op 9 mei 2006 door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven nadere motivering had dienen te leiden tot intrekking van de uitkering per een toekomende datum, te rekenen vanaf de datum van dat rapport, een en ander onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 inzake de aanvaardbaarheid van het zogenoemde CBBS. Voorts meent appellante dat de gegeven nadere motivering van haar geschiktheid voor de geduide functies nog steeds tekortschiet, onder meer omdat deze te weinig individueel is toegespitst, met name op de aspecten 3.10 en 4.24.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Uitgangspunt is dat tussen partijen in rechte vaststaat dat de arbeidsbeperkingen en -mogelijkheden van appellante juist zijn weergegeven in de FML van 1 juli 2004, die is opgesteld door verzekeringsarts W. Eikendal. In deze FML is bij de door appellante in hoger beroep aangegeven aspecten 3.10 en 4.24 door de verzekeringsarts aangegeven dat in verband met haar oogklachten er eigenlijk alleen een probleem is bij directe inval van fel licht in de ogen en voorts: “Zij moet geen baan hebben waar zij vaak omhoog moet kijken met ogen want dan ontstaan dubbelbeelden die voor problemen kunnen zorgen. Ook geen baan waarbij zij met gefixeerd hoofd veel naar beneden moet kijken. PC scherm geen enkel probleem”. Door de bezwaararbeidsdeskundige is aangegeven dat directe lichtinval, vaak omhoog kijken en gefixeerd naar beneden kijken in de geduide functies niet voorkomt. De Raad is van oordeel dat in dit geval aldus door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is gemotiveerd dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de aangegeven aspecten voor appellante niet te zwaar is. Daarbij is onder meer van belang dat uit de omschrijving van de werkzaamheden in de functies in voldoende mate kan worden afgeleid dat die bezwarende omstandigheden zich niet voordoen. Dit geldt naar het oordeel van de Raad eveneens voor een aantal andere signaleringen van mogelijke overschrijding, die ook door de bezwaararbeidsdeskundige alleen in algemene zin zijn toegelicht.

4.2. De stelling van appellante dat de intrekking van haar WAO-uitkering pas had mogen plaatsvinden nadat haar geschiktheid voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies bij rapport van 9 mei 2006 voldoende was gemotiveerd, treft geen doel. Appellante heeft zich bij haar stelling gebaseerd op de uitspraken van de Raad van

9 november 2004 (o.a. LJN AR4717), waarin de Raad heeft aangegeven dat hij een nadere motivering van de geschiktheid van de functies hangende het beroep tegen het concrete schattingsbesluit niet langer zal accepteren. In de eerste plaats had dit oordeel van de Raad geen betrekking op de onaanvaardbaarheid van de aanvankelijke datum van herziening/intrekking van de uitkering nadat alsnog een toelichting was gegeven. Verder is in het onderhavige geval de toelichting gegeven nog voor het nemen van het (bestreden) besluit van 20 juni 2006. Bovendien heeft het Uwv het CBBS tijdig aangepast aan de door de Raad gestelde voorwaarden. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 7 maart 2008, (LJN BC7279).

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter, en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.L. de Gier.

JL