Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
07-2475 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Medische grond. De bva heeft geen houdbare reden gegeven om de duurbeperking te laten vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2475 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 maart 2007, 06/1364 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 6 februari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door T.R. Vallinga.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 17 mei 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 21 november 2005 tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant per 22 januari 2006. De reden voor die beëindiging is dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid van 25-35% tot minder dan 15% is afgenomen.

2.1.1. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 17 mei 2006, maar liet de rechtsgevolgen er van in stand onder veroordeling van het Uwv in de proceskosten.

2.1.2. De rechtbank heeft naar aanleiding van informatie van de appellant behandelende internist Blok onder andere overwogen:

"Blok heeft (..) tot uitdrukking gebracht dat de levensverwachting van patiënten (..) zoals eiser niet wordt verkort en dat er soms een aantal maatregelen zijn te nemen waarmee zonder therapie de klachten van deze patiënten kunnen verdwijnen. Daarnaast blijven er volgens Blok echter altijd patiënten die zonder goede verklaring klachten blijven houden en waarbij op grond van die klachten drie tot vier aderlatingen per jaar voldoende zijn om de klachten te laten verdwijnen. Deze klachten kunnen volgens Blok (..) bestaan uit onder meer hoofdpijn, duizeligheid en een neiging tot bloedingen en/of trombose. Blok heeft evenwel niet gesteld dat eiser behoort tot deze groep van patiënten en deze klachten ervaart. Uit de overige beschikbare medische gegevens kan evenmin worden afgeleid dat eiser deze klachten heeft."

2.2. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de verwerping van zijn medische beroepsgrond en het in stand laten van de rechtsgevolgen door de rechtbank. In het bijzonder betwist hij dat hij in staat is om meer dan 6 uren per dag arbeid te verrichten.

3.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in discussie zijn.

3.2. Appellant kan zijn werk als elektricien door ziekte niet meer doen en heeft sinds 2 maart 1999 een WAO-uitkering. Hij lijdt aan een bloedaandoening waardoor zijn bloedplasma door onbekende oorzaak vermindert en een in verhouding te groot aantal rode bloedlichamen in het bloed aanwezig is. Blok behandelt hem hier sinds jaren voor met aderlatingen.

3.3. Vanaf 1 september 2000 werk appellant als technisch onderwijsassistent voor 24 uren per week. De mate van zijn arbeidsongeschiktheid bedraagt sinds 1 september 2003 25-35%.

3.4. Vanaf 1998 onderzocht de verzekeringsarts appellant enkele malen en nam in de Functionele Mogelijkhedenlijst een duurbeperking op: maximaal 6 uur arbeid per etmaal. Deze duurbeperking liet de verzekeringsarts op 23 oktober 2005 zonder nadere toelichting vervallen. De bezwaarverzekeringsarts verdedigde in zijn rapport van 3 mei 2006 het schrappen van de duurbeperking met het argument dat een overmaat aan rode bloedlichamen de fysieke prestaties verbetert en dus geen verklaring vormt voor de vermoeidheid van appellant. In zijn rapport van 16 januari 2007 erkent de bezwaarverzekeringsarts de onhoudbaarheid van die opvatting, omdat deze is gebaseerd op de – onjuiste – veronderstelling dat de aandoening van appellant een overmaat aan rode bloedlichamen veroorzaakt. Toch ziet de bezwaarverzekeringsarts geen reden voor een duurbeperking, want (zo begrijpt de Raad:) appellant lijdt niet aan een ernstige ziekte en de aandoening waaraan hij lijdt komt niet voor in de Standaard ‘Verminderde arbeidsduur’.

3.5. In zijn brief van 22 april 1999 schrijft Blok dat hij geen oorzaak kan vinden voor de appellant moeheid en hoofdpijn gevende, voortdurende afname van het bloedplasma, die de inspanningstolerantie en belastbaarheid van appellant negatief beïnvloedt.

4.1. Het beroep van appellant strekt, naar de Raad begrijpt, tot de onveranderde voortzetting van zijn WAO-uitkering per 22 januari 2006.

4.2. Uit de informatie van Blok en de door hem ingezette behandeling concludeert de Raad, anders dan de rechtbank, dat appellant behoort tot de door Blok bedoelde groep patiënten die is aangewezen op behandeling met aderlatingen.

4.3.1. De verzekeringsartsen zagen in de aandoening van appellant jarenlang reden voor een duurbeperking. Blok geeft aan dat de bloedaandoening de inspanningstolerantie en belastbaarheid van appellant negatief beïnvloedt. De door appellant geraadpleegde medisch adviseur, D.J. Schakel, rga, ziet eveneens reden voor een duurbeperking.

4.3.2. Op 20 december 2005 tekende de verzekeringsarts als het resultaat van het telefonisch overleg met Blok aan “eigenlijk geen duidelijke klachten, maar zware energetische beperkingen zijn toch wel aannemelijk”. De bezwaarverzekeringsarts legt deze aantekening uit als dat appellant volgens de verzekeringsarts beperkt is voor zware energetische belastingen, maar die uitleg stemt naar het oordeel van de Raad niet overeen met de duidelijke bewoordingen van de aantekening.

4.3.3. De verzekeringsarts ziet in zijn rapport van 23 oktober 2005 geen reden voor een duurbeperking “zeker met redelijke bloedwaarden”, maar miskent daarmee zijn signalering dat “de laatste tijd de bloedwaarden steeds te hoog zijn” (door de bezwaarverzekeringsarts later afgezwakt tot “de waarden liggen iets boven de norm”).

4.3.4. Een houdbare reden om de duurbeperking te laten vallen, geeft de (bezwaar-)verzekeringsarts niet en daarom houdt de intrekking van appellants WAO-uitkering per 22 januari 2006 geen stand.

4.4. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het inleidende beroep gegrond verklaren, het besluit van 17 mei 2006 vernietigen en het besluit van 21 november 2005 herroepen.

5. De Raad veroordeelt het Uwv in de kosten, wegens de aan appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.932,- en voor de kosten van de deskundigen tot een bedrag van € 544,-, totaal € 2.476,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 mei 2006;

Herroept het besluit van 21 november 2005 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 mei 2006;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten tot € 2.476,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht tot een bedrag van € 144,- vergoedt:

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C. Palmboom.

JL