Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
07-2452 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAJONG-uitkering. De Raad volgt de conclusie van de reumatoloog Van ’t Pad Bosch, die in de lijn ligt met die van de appellante behandelende reumatoloog en steun vindt in de ook door de verzekeringsarts erkende medische noodzaak tot herstelmomenten en een langere middagpauze. Het Uwv had van een duurbeperking moeten uitgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2452 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 maart 2007, 06/3812 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 20 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en een expertise van de reumatoloog

drs. P. van ’t Pad Bosch overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 6 februari 2009. Appellante is daar bijgestaan door mr. C. Hameling-Wijn, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 8 juni 2006 ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 5 december 2005 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 3 februari 2006 bepaald op 55-65%.

2.1. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 8 juni 2006, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand.

2.2. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de verwerping van haar medische beroepsgrond en het in stand laten van de rechtsgevolgen. Zij betwist dat zij in staat is om meer dan 20 uren per week arbeid te verrichten.

3.1. Appellante lijdt aan jeugdreuma en ontvangt vanaf 30 augustus 2004 een Wajong-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

3.2. Na de toekenning van deze uitkering studeerde appellante af als jurist en fiscaal jurist en vond aansluitend werk voor 24 uren per week.

3.3. De verzekeringsarts gaf aan dat de ziekte van appellante geregelde herstelmomenten en een langere middagpauze nodig maakt. De arbeidsdeskundige berekende het theoretische loonverlies op ongeveer 54%.

4.1. Haar standpunt dat zij door haar ziekte niet langer dan 20 uren per week kan werken, onderbouwt appellante met de expertise van de reumatoloog Van ’t Pad Bosch, waarin valt te lezen:

“Bij deze jonge vrouw is het risico op overbelasting groot als zij niet de tijd per dag en per week heeft om binnen het normale bioritme te zorgen voor de toepassing van de drie basisbehandelingsprincipes; er is dus wel dergelijk reden voor urenbeperking om erger te voorkomen met het oog op het grote aantal jaren dat zij nog zal leven.

De moeheid bij deze vrouw is een bekend verschijnsel; bij 100% van de reumatoide artritis patiënten wordt deze klacht gerapporteerd ondanks het feit dat met ultramoderne medicatie de zichtbare ontstekingsverschijnselen tot een minimum worden teruggebracht. De enige manier om deze moeheid te bestrijden is het gedoseerd nemen van rust.”

4.2. De appellante behandelende reumatoloog adviseerde de gewrichten minder te belasten, en gedoseerd oefeningen te doen en rust te nemen. Naar zijn opvatting is 50% werktijd goed voor appellante.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts ontkende tegenover die visie de medische noodzaak van een duurbeperking. Hij reageerde niet op de door appellante ingebrachte expertise.

5.1. De Raad volgt de conclusie van de reumatoloog Van ’t Pad Bosch, die in de lijn ligt met die van de appellante behandelende reumatoloog en steun vindt in de ook door de verzekeringsarts erkende medische noodzaak tot herstelmomenten en een langere middagpauze.

5.2. Het Uwv had van een duurbeperking moeten uitgaan. Het bestreden besluit mist daarom een voldoende draagkrachtige motivering.

5.3. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 8 juni 2006 vernietigen, en het Uwv opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.

5.4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv in de proceskosten te veroordelen, wegens de aan appellant in beroep en hoger beroep verleende rechtsbijstand begroot op € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 juni 2006;

bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar;

veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten tot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht tot een bedrag van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C. Palmboom.

JL