Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-1985 ANW + 08-6012 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met (derde) besluit niet geheel tegemoet gekomen. Appellantes echtgenoot was ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de ANW. Evenmin bestaat voor appellante recht op een nabestaandenuitkering op de grond dat haar echtgenoot op de dag van zijn overlijden ingevolge een Turkse wettelijke regeling verzekerd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1985 ANW

08/6012 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], Turkije (hierna appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2008, 05/2289 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft O. Öztoprak, advocaat te Istanbul, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Raad tevens een nieuw besluit op bezwaar van 18 maart 2008 doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellante noch haar gemachtigde zijn daar verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 11 oktober 2000 heeft de Svb via het Turkse verbindingsorgaan Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) een aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ontvangen evenals een ingevuld TH 203-formulier.

1.2. Bij besluit van 6 november 2000 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen aangezien de echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot van appellante], ten tijde van zijn overlijden op 9 april 2000 niet verzekerd was voor de ANW en evenmin ingevolge de wettelijke regelingen van Turkije. Dit besluit is in het Nederlands en in de Turkse vertaling aan appellante toegezonden. Voorts heeft de Svb het besluit van 6 november 2000 gezonden aan het SSK, welk orgaan is verzocht de Nederlandse versie van het besluit door te zenden aan appellante. Blijkens de gedingstukken heeft het SSK aan dit verzoek voldaan en heeft appellante het besluit op 18 december 2000 ontvangen.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 29 januari 2001 (hierna: besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard, onder toevoeging van de overweging dat appellantes echtgenoot evenmin op grond van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid als verzekerd kan worden aangemerkt.

1.4. Bij uitspraak van 12 februari 2002 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Voorts is de Svb gelast het betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank was van oordeel dat met een brief van het SSK van 26 mei 1998, met daarin de vermelding dat appellantes echtgenoot slechts één dag verzekerd is geweest, niet is vastgesteld dat hij op het moment van overlijden niet verzekerd was ingevolge de Turkse wetgeving. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat op het TH 203-formulier van 21 augustus 2000 is vermeld dat appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Turkse wetgeving. De enkele aanname van de Svb dat de vermelding op dit formulier op een misverstand zou berusten, leidt niet tot de conclusie dat aan dit formulier voorbij kan worden gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank had de Svb bij twijfel aan de juistheid van het TH 203-formulier nader onderzoek moeten verrichten.

1.5. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de Svb bij besluit van 30 januari 2003 (hierna: besluit 2) het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen besluit 2 beroep ingesteld.

2.1. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van de Svb desgevraagd medegedeeld dat onvoldoende is onderzocht of appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden verzekerd was ingevolge Turkse wetgeving. De gemachtigde van de Svb heeft besluit 2 ingetrokken en aangegeven dat nader onderzoek zal worden verricht.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat appellante geen belang meer had bij haar beroep, met een bepaling omtrent de vergoeding van het griffierecht.

3. In hoger beroep is namens appellante verzocht om een nieuw onderzoek teneinde te kunnen vaststellen of zij in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering. Hangende dit hoger beroep heeft de Svb het in rubriek I genoemde besluit van 18 maart 2008 (hierna: besluit 3) genomen. Bij dit besluit is appellantes bezwaar tegen het besluit van 6 november 2000 wederom ongegrond verklaard en is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat de Svb besluit 2 ter zitting van de rechtbank heeft ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4.2. Besluit 3 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij niet geheel aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen. Dit betekent dat alleen dit besluit ter toetsing voorligt in deze procedure. De beroepsgronden kan en zal de Raad dan ook bespreken in verband met besluit 3.

4.3. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de ANW.

4.4. Ingevolge artikel 13 van de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Turkije woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.

4.5. Evenmin bestaat voor appellante recht op een nabestaandenuitkering op de grond dat haar echtgenoot op de dag van zijn overlijden ingevolge een Turkse wettelijke regeling verzekerd was. Onder de gedingstukken bevindt zich thans een brief van het SSK, die mede ten grondslag heeft gelegen aan besluit 3. In de betreffende brief van 3 maart 2008 heeft het SSK bevestigd dat appellantes echtgenoot op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de Turkse wetgeving. Dit houdt in dat, nu gebleken is dat haar echtgenoot op de dag van zijn overlijden niet daadwerkelijk verzekerd was, de Svb terecht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.6. Gezien het vorenstaande dient appellantes beroep tegen besluit 3 ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IA