Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-339 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: appellant is weliswaar getroffen door oorlogsgeweld, maar er is bij hem geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. De Raad overweegt dat door de deskundige niet wordt gemotiveerd waarom met betrekking tot de bij appellant aanwezige schizofrenie thans een andere diagnose dient te gelden dan door hem in maart 2007 aan verweerster is bericht en voorts kan de Raad zonder nadere medische onderbouwing onvoldoende gewicht toekennen aan de door deze deskundige thans gemelde aanwezigheid van een PTSS bij appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/339 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 6 december 2007, kenmerk BZ 7736, JZ/I/70/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Aldaar is appellant in persoon verschenen met bijstand van mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van verweerster van 27 september 1999 is een door appellant op grond van de Wet ingediende aanvraag getoetst aan het bepaalde in artikel 2 van de Wet en is vastgesteld dat van de door appellant aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende Bersiap-periode onvoldoende bevestiging is verkregen.

1.1. Bij besluit van 4 april 2007 is verweerster in zoverre terug gekomen op het hiervoor genoemde besluit dat is erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, te weten zijn gevangenhouding in de Werfstraatgevangenis te Soerabaja. Overigens heeft verweerster geoordeeld dat appellant geen aanspraken aan de Wet kan ontlenen omdat bij hem geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Een door appellant gemaakt bezwaar tegen verweersters besluit van 4 april 2007 is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellant kan zich niet verenigen met verweersters standpunt dat bij hem geen sprake is van blijvende invaliditeit ten gevolge van het oorlogsgeweld. Hij heeft doen aanvoeren dat hij lijdt aan met het oorlogsgeweld in verband staande psychische klachten en heeft dit standpunt onderbouwd met een schrijven van zijn behandelend psychiater S. Panchu van 15 januari 2009 inhoudende dat bij appellant sprake is van een PTSS met nevendiagnose “late onset schizofrenia”.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Blijkens de gedingstukken heeft verweerster zich in navolging van haar geneeskundig adviseurs op het standpunt gesteld dat bij appellant sprake is van schizofrenie (paranoïde type) die dient te worden beschouwd als een constitutioneel bepaalde aandoening, waarvoor een causaal verband met de oorlogsomstandigheden niet kan worden aanvaard. De bij appellant bestaande psychische klachten (angstdromen/ nachtmerries) moeten naar de opvatting van deze geneeskundigen worden gezien in het licht van de schizofrenie. Hierbij is bepalend geacht dat de behandelend psychiater van appellant S. Panchu bij schrijven van 13 maart 2007 heeft gemeld dat bij appellant sprake is van een multidisciplinair gediagnosticeerde schizofrenie en een daarnaast bestaande andere psychiatrische diagnose niet heeft aangegeven.

3.2. De Raad acht het bestreden besluit met de adviezen van deze geneeskundig adviseurs voldoende onderbouwd. Nu de door verweerster omtrent appellant verkregen informatie uit de behandelende sector helder en éénduidig aangeeft welke aandoening bij appellant is gediagnosticeerd, was er voor verweerster voorts naar het oordeel van de Raad geen aanleiding tot het laten verrichten van nader (psychiatrisch) onderzoek bij appellant. De Raad heeft voorts in de gedingstukken van medische aard onvoldoende aanknopings-punten kunnen vinden om het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster onjuist te achten. In het namens appellant in beroep ingezonden schrijven van S. Panchu voor-noemd heeft de Raad daarvoor onvoldoende grond gevonden. Hij overweegt daarbij dat door deze deskundige niet wordt gemotiveerd waarom met betrekking tot de bij appellant aanwezige schizofrenie thans een andere diagnose dient te gelden dan door hem in maart 2007 aan verweerster is bericht en voorts kan de Raad zonder nadere medische onder-bouwing onvoldoende gewicht toekennen aan de door deze deskundige thans gemelde aanwezigheid van een PTSS bij appellant.

3.3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD