Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-536 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: het onderzoek heeft geen bevestiging gevonden van door appellante meegemaakte oorlogsgebeurtenissen. De enkele omstandigheid dat een gebeurtenis past binnen de historische context, is naar vaste rechtspraak van de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat sprake is van een individuele en directe betrokkenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/536 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 11 december 2007, kenmerk BZ 7994, JZ/T60/2007, ten aanzien van appellante gegeven besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Namens appellante is verschenen mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage, en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellante heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 7 augustus 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Als relevante gebeurtenissen heeft appellante naar voren gebracht het in Semarang meemaken van bedreigingen bij pogingen van Japanners om de ouderlijke woning binnen te dringen bij de zoektocht naar meisjes, het meemaken van bedreigingen door Indonesische extremisten die reizigers beroofden tijdens de treinreis van Semarang naar Bandoeng en het meemaken van (excessief) geweld in Bandoeng in de nabijheid van het Borromeusziekenhuis.

2.3. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij historische gegevens zijn geraadpleegd, de door appellante genoemde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn benaderd alsmede de van deze getuigen bij verweerster bekende dossiers zijn geraadpleegd, is geen bevestiging gevonden van door appellante meegemaakte oorlogsgebeurtenissen. De enkele omstandigheid dat een gebeurtenis past binnen de historische context, is naar vaste rechtspraak van de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat sprake is van een individuele en directe betrokkenheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

2.5. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat naar zijn vaste rechtspraak algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate een ieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin artikel 2 van de Wet. Hieruit volgt dat ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellante behoorde, heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD