Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-538 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brutolijfrente wordt volledig in mindering gebracht op periodieke uitkering. In dit is sprake van een eenmalige kapitaalstorting die heeft plaatsgevonden voordat de periodieke uitkering is toegekend en niet van een langdurige periode van inleg, die is begonnen vóór toekenning van de periodieke uitkering ingevolge de Wet en ook nadien nog is doorgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/538 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 13 december 2007, kenmerk BZ 47416, JZ/V80/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Aldaar is appellant in persoon verschenen met bijstand van mr. A.H. Punt-Koopmans, advocaat te Leeuwarden. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1936, is door verweerster bij besluit van 27 december 1993 met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijkgesteld. Aan hem is ingaande 1 december 1992 een periodieke uitkering toegekend, berekend naar het inkomen dat hij ten tijde van zijn aanvraag uit het beroep van copywriter bij een reclamebureau zou hebben genoten.

1.1. Bij berekeningsbeslissing van 30 september 2007 heeft verweerster de aan appellant toekomende periodieke uitkering nader vastgesteld in verband met de omstandigheid dat aan appellant maandelijks een lijfrente wordt uitbetaald. Verweerster heeft daarbij het volledige brutobedrag van de lijfrente op de aan appellant toekomende periodieke uitkering in mindering gebracht. Een door appellant tegen deze berekeningsbeslissing gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellant kan zich in beroep als in bezwaar niet verenigen met het feit dat verweerster de aan hem toekomende brutolijfrente volledig in mindering brengt op zijn periodieke uitkering. Hij heeft zich in dit verband onder meer beroepen op het vertrouwen dat hij mocht ontlenen aan een in “Aanspraak” over de korting van lijfrenten verschenen artikel alsmede op namens verweerster verstrekte informatie.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in augustus 1992 een aan hem in verband met de ontbinding van zijn laatste arbeidsovereenkomst toekomende ontslaguitkering van fl. 75.000,- geheel heeft doen onderbrengen in een lijfrenteverzekering afgesloten bij levensverzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden N.V. Ingaande 1 augustus 2007 is deze lijfrente tot uitbetaling gekomen in de vorm van maandelijkse uitbetalingen. Naar de Raad reeds meerdere malen heeft uitgesproken dienen uitkeringen uit lijfrente als overige inkomsten op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet op de periodieke uitkering in mindering te worden gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster de onderhavige korting dan ook terecht toegepast, nu de Wet dat haar imperatief en zonder uitzondering te maken voorschrijft.

3.2. Appellant is van oordeel dat de onderhavige lijfrente slechts gedeeltelijk op zijn periodieke uitkering in mindering had moeten worden gebracht en heeft in dit verband gewezen op de door verweerster vanaf 2002 gehanteerde werkwijze bij het korten van lijfrente-uitkeringen, die er op neer komt dat er toerekening van de lijfrente plaatsvindt naar de maandelijkse premiebetalingen die zijn gedaan over een periode voor en na de toekenning van de periodieke uitkering op grond van de Wet en dat de periodieke uitkering wordt gekort met hetgeen wordt toegerekend aan de inlegperiode voor de periodieke uitkering.

3.2.1. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster op goede gronden geoordeeld dat deze situatie zich in het geval van appellant niet voordoet. In zijn geval immers is sprake van een eenmalige kapitaalstorting die heeft plaatsgevonden voordat de periodieke uitkering is toegekend en niet van een langdurige periode van inleg, die is begonnen vóór toekenning van de periodieke uitkering ingevolge de Wet en ook nadien nog is doorgelopen.

3.2.2. Namens appellant is nog naar voren gebracht dat verweerster bij de berekening van het maandelijks op de periodieke uitkering te korten bedrag de waardevermeerdering van de éénmalige inleg van fl. 75.000,- buiten beschouwing had dienen te laten. Deze stelling kan de Raad niet volgen. Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet is, naar het oordeel van de Raad, bepalend welk brutobedrag maandelijks aan inkomsten wordt gegenereerd. De omvang en eventuele waardevermindering of -vermeerdering van de oorspronkelijke inleg acht de Raad hierbij niet doorslaggevend.

3.3. Appellant heeft zich ten slotte beroepen op het vertrouwensbeginsel en daarbij onder meer gewezen naar een nummer van het informatie bulletin “Aanspraak” dat periodiek wordt uitgegeven door de Pensioen- en Uitkeringsraad en waarin aan deze kortingsproblematiek aandacht is besteed en voorts op een e-mailcorrespondentie naar aanleiding van een door een kennis van appellant aan verweerster gestelde vraag. Naar het oordeel van de Raad kan appellant noch aan het door hem genoemde nummer van “Aanspraak” noch aan de door hem genoemde correspondentie het vertrouwen ontlenen dat in zijn geval niet tot integrale korting van zijn lijfrente-uitkeringen zou worden overgegaan, reeds omdat hier geen sprake is van op de specifieke casus van appellant toegespitste informatie.

3.4. Hoewel de Raad zich de teleurstelling van appellant kan voorstellen laten de dwingende kortingsregels van artikel 19 van de Wet aan verweerster geen vrijheid om anders te handelen dan zij in het onderhavige geval heeft gedaan. Het beroep van appellant moet dan ook ongegrond worden verklaard.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD