Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-56 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag: bij appellant is sprake van met het oorlogsgeweld verband houdende psychische klachten, maar deze klachten hebben niet geleid tot zodanige beperkingen dat gesproken kan worden van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Geen onderschatting beperkingen. Geen blijvende invaliditeit. Bij een medische beoordeling is een vergelijking met lotgenoten niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/56 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 20 november 2007, kenmerk BZ 8039, JZ/L/70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 8 maart 2007. Overwogen is dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, te weten internering tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, maar dat hij aangezien hij woonachtig is in Thailand niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet - zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang - gestelde territorialiteitseis, terwijl verweerster geen aanleiding heeft gezien gebruik te maken van de in artikel 3, zesde lid (oud), van de Wet gegeven bevoegdheid om wegens klaarblijkelijke hardheid aan deze eis voorbij te gaan.

1.2. In april 2007 heeft appellant zich met een hernieuwde aanvraag tot verweerster gewend met het verzoek om op grond van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 28 augustus 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat bij appellant sprake is van met het oorlogsgeweld verband houdende psychische klachten, maar dat deze klachten niet hebben geleid tot zodanige beperkingen dat gesproken kan worden van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2 van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 en/of in de na-oorlogse jaren bij ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden. Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van artikel 2 van de Wet acht verweerster sprake indien een betrokkene als gevolg van de psychische klachten beperkingen heeft in minstens twee van de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, te weten “dagelijkse activiteiten”, “sociaal functioneren”, “concentratie, doorzettingsvermogen en tempo” en “aanpassing aan stressvolle omstandigheden”. De Raad heeft in vaste rechtspraak deze door verweerster gehanteerde maatstaf aanvaard.

2.2. Naar uit de stukken blijkt is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een rapport van een door de geneeskundig adviseur H.I. Loor, arts, bij appellant verricht medisch onderzoek. Uit dat rapport komt naar voren dat de bij appellant aanwezige psychische klachten zich uiten in inslaapstoornissen, maar dat deze klachten alleen geringe tot matige beperkingen geven in de rubriek “dagelijks functioneren”.

2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 2.2 genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt. De Raad heeft in de medische gegevens evenmin een grond gezien om aan te nemen dat de uit de psychische klachten van appellant voortvloeiende beperkingen zijn onderschat en is met verweerster van oordeel dat niet blijkt van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet, zoals hierboven onder 2.1 is omschreven.

2.4. Ten aanzien van de grief van appellant dat zijn zuster wel door verweerster in aanmerking is gebracht voor een periodieke uitkering, merkt de Raad op dat de vraag of een aanvrager aan zijn oorlogsomstandigheden te relateren klachten heeft en of hij daardoor blijvend invalide is geworden berust op een individuele medische beoordeling. Aangezien elk individu de meegemaakte oorlogsomstandigheden op zijn eigen wijze verwerkt, is bij een medische beoordeling een vergelijking met lotgenoten niet aan de orde.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD