Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08-957 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant kan niet als een besluit tot intrekking of wijziging van het besluit van 2 november 2006 tot opschorting van het recht op bijstand als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb worden aangemerkt, nu niet kan worden gezegd dat eerstgenoemd besluit binnen de grondslag en de reikwijdte van het besluit tot opschorting blijft. Het intrekkingsbesluit berust namelijk niet alleen op een andere bevoegdheidsgrondslag, maar ook op een andere feitelijke grondslag dan het opschortingsbesluit, nu het College eerst tot intrekking kan besluiten indien het inlichtingenverzuim dat tot opschorting van het recht op bijstand heeft geleid niet binnen een in het opschortingsbesluit vermelde termijn is hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/957 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2007, 07/376 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 maart 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Voor appellant is verschenen mr. Hendrikse. Het College heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 2 november 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) het recht op bijstand van appellant met ingang van 3 november 2006 opgeschort op de grond dat hij de bij brief van 19 oktober 2006 gevraagde informatie niet heeft verstrekt. Aan appellant is een termijn tot 10 november 2006 gegeven om dit verzuim te herstellen. Tegen dit besluit heeft appellant op 8 november 2006 bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 16 november 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 3 november 2006 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het opschortingsbesluit ongegrond verklaard. Het College heeft het bezwaarschrift geacht mede gericht te zijn tegen het besluit tot intrekking van 16 november 2006 en het bezwaar in zoverre eveneens ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank dat het bezwaarschrift van appellant van 8 november 2006 uitsluitend is gericht tegen het besluit van 2 november 2006 en dus niet kan worden aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift tegen het besluit van 16 november 2006, waarvan gelet op artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de niet-ontvankelijkverklaring achterwege kan blijven. Nu het besluit van 16 november 2006 in rechte onaantastbaar is geworden, heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te honoreren belang meer bij een beoordeling door de rechtbank van de juistheid van het besluit van 14 december 2006. Niet is gebleken dat appellant nog enig financieel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de opschorting van het recht op uitkering met ingang van 3 november 2006. De rechtbank heeft ten overvloede nog opgemerkt dat het College het bezwaar van appellant tegen het besluit tot opschorting ten onrechte met toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb mede gericht heeft geacht tegen het besluit tot intrekking.

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel dat het bezwaarschrift van 8 november 2006 niet kan worden aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb gemotiveerd betwist. Hij stelt voorts dat het besluit tot intrekking van de uitkering dusdanig verknocht is met het eerdere besluit van 2 november 2006 tot opschorting van het recht op bijstand, dat het College mocht komen tot toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb. Het besluit tot intrekking impliceert immers dat het besluit tot opschorting ongedaan wordt gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, is het bezwaarschrift van 8 november 2006 uitsluitend gericht tegen het besluit van 2 november 2006. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat dit bezwaarschrift niet tevens als een prematuur bezwaarschrift tegen het besluit van 16 november 2006 tot intrekking kan worden aangemerkt, ten aanzien waarvan met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet-ontvankelijk verklaring achterwege blijft. Voor de opvatting van appellant dat zijn bezwaar mede zag op de intrekking van de bijstand en dat hij redelijkerwijs kon menen dat het besluit daartoe al tot stand was gekomen bieden de bewoordingen van het bezwaarschrift geen enkele steun. Daarbij komt dat de in het opschortingsbesluit vermelde hersteltermijn op 8 november 2006 nog niet was verstreken.

4.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant niet als een besluit tot intrekking of wijziging van het besluit van 2 november 2006 tot opschorting van het recht op bijstand als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb kan worden aangemerkt, nu niet kan worden gezegd dat eerstgenoemd besluit binnen de grondslag en de reikwijdte van het besluit tot opschorting blijft. Het intrekkingsbesluit berust namelijk niet alleen op een andere bevoegdheidsgrondslag, maar ook op een andere feitelijke grondslag dan het opschortingsbesluit, nu het College eerst tot intrekking kan besluiten indien het inlichtingenverzuim dat tot opschorting van het recht op bijstand heeft geleid niet binnen een in het opschortingsbesluit vermelde termijn is hersteld. Het besluit tot intrekking van de bijstand brengt dus geen wijziging mee van het besluit tot opschorting van het recht op bijstand, maar is een vervolg daarop.

4.3. Gezien hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant - ten tijde van het instellen van beroep - in rechte onaantastbaar was geworden. Gelet hierop had appellant ook naar het oordeel van de Raad geen (financieel) belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit op het bezwaar tegen de opschorting van het recht op bijstand, zodat de rechtbank dat beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4. Uit onderdeel 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A. Badermann.

NW