Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
08-794 WWB + 08-795 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand buiten behandeling gelaten. Gevraagde gegevens niet overgelegd. Appellant was gehuwd. Geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/794 WWB

08/795 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 januari 2008, 07/467 en 07/715 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting, gevoegd met het onderzoek in het geding tussen partijen met nr. 07/3954 WWB, heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Groningen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding 07/3954 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit op bezwaar van 5 februari 2007 heeft het College het besluit van 31 oktober 2006, waarbij de bijstand van appellant per 1 oktober 2006 is ingetrokken, gehandhaafd. Aan het besluit van 5 februari 2007 heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant gehuwd is met H. [S. ] (hierna: [S. ]) en dat, gelet op het inkomen van [S. ], de bijstand per 1 oktober 2006 terecht is ingetrokken. De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 31 mei 2007 het beroep van appellant tegen het besluit van 5 februari 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, nr. 07/3954 WWB, heeft de Raad die uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, voor zover aangevochten, bevestigd.

1.2. In november 2006 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Appellant heeft op het aanvraagformulier ingevuld dat hij geen partner heeft. Op deze aanvraag heeft het College bij besluit van 22 januari 2007 afwijzend beslist op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [S. ] en hij derhalve niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt. Bij besluit van 17 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2007 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de afwijzing ten grondslag is gelegd dat appellant en [S. ] gehuwd zijn en niet duurzaam gescheiden leven.

1.3. Op 4 januari 2007 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 90,--. Met het oog op de afhandeling van deze aanvraag heeft het College bij brief van 27 februari 2007 appellant tot 7 maart 2007 de gelegenheid geboden de in die brief genoemde bewijsstukken van appellant en [S. ] in te leveren. In reactie op deze brief heeft appellant slechts de gevraagde op hem betrekking hebbende stukken ingezonden en aangevoerd dat hij en [S. ] afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Bij besluit van 16 maart 2007 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant de bij brief van 27 februari 2007 gevraagde gegevens inzake [S. ] niet binnen de daarbij gestelde termijn heeft verstrekt. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de besluiten van 17 april 2007 en 29 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat voorbij gegaan moet worden aan de juridische status, zoals die blijkt uit de gemeentelijke basisadministratie, volgens welke hij gehuwd is en dat leidend moet zijn de feitelijke situatie dat hij ongehuwd is en derhalve als zelfstandig subject van bijstand moet worden aangemerkt. De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven, waartoe hij verwijst naar hetgeen in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak van heden, nr. 07/3954, is overwogen. Aangezien appellant ten tijde hier van belang gehuwd was met [S. ] en bij hen geen sprake was van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet als een zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt en derhalve geen recht had op algemene bijstand naar de norm van een alleenstaande. De aanvraag is dus terecht afgewezen.

4.2. Bij de beoordeling van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand is het College ervan uitgegaan dat appellant gehuwd is met [S. ] en dat het derhalve ook noodzakelijk is inzicht te krijgen in de financiële omstandigheden van [S. ]. De Raad onderschrijft dit uitgangspunt en is van oordeel dat de door het College gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor het beoordelen van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden om de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn te verstrekken, zodat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gehuwd en het begrip duurzaam gescheiden leven.

IJ