Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-5053 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Appellante was studerende, maar om als jonggehandicapte te worden aangemerkt, is het vereist dat zij in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Het Uwv heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat in het geval van appellante niet aan deze voorwaarde is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5053 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 juli 2008, 08/167

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij een op 21 maart 2006 gedateerd formulier heeft appellante, geboren op [geboortedatum], een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Als eerste dag van arbeidsongeschiktheid heeft zij opgegeven 15 april 2005.

1.3. Bij besluit van 28 juni 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 februari 2007, heeft het Uwv appellante een Wajong-uitkering ontzegd, onder de overweging dat appellante op en na 14 november 2005, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.4. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 6 augustus 2007, 07/448, het namens appellante tegen het besluit van 22 februari 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, aangezien het besluit van 22 februari 2007 berustte op een onjuiste wettelijke grondslag. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.5. Bij besluit van 14 december 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 juni 2006 wederom ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij, in afwijking van het besluit van 28 juni 2006, vastgesteld dat als eerste dag van arbeidsongeschiktheid 9 november 2004 dient te worden aangenomen en niet, zoals appellante stelt, 15 april 2005. Het Uwv heeft voorts overwogen dat appellante in de periode van 6 september tot 9 november 2004 studerende was in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wajong. Genoemd artikelonderdeel vereist evenwel dat appellante, om als jonggehandicapte te worden aangemerkt, in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Het Uwv heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat in het geval van appellante niet aan deze voorwaarde is voldaan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op grond van de beschikbare medische gegevens niet anders geconcludeerd kan worden dan dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 9 november 2004 arbeidsongeschikt is geworden. De rechtbank heeft zich voorts verenigd met het standpunt van het Uwv dat appellante niet voldoet aan de in artikel 5, tweede lid, van de Wajong geformuleerde voorwaarde.

3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Appellante betoogt dat zij weliswaar direct na het haar op 9 november 2004 overkomen verkeersongeval klachten is gaan ervaren; haar arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wajong is volgens haar echter pas ingetreden op 15 april 2005.

4. Het Uwv heeft in het verweerschrift staande gehouden dat terecht is uitgegaan van 9 november 2004 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

5.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, maar overigens zonder (nadere) medische onderbouwing is gebleven, vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep werd gesteld. Aangezien de Raad zich geheel kan verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld en overwogen omtrent de voor appellante in aanmerking te nemen eerste arbeidsongeschiktheidsdag, volstaat de Raad er mee om voor de gronden waarop de stellingen van appellante niet kunnen slagen te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

5.2. In het onder 5.1 overwogene ligt besloten dat geen aanleiding bestaat om over te gaan tot inschakeling van een eigen deskundige. Voor vergoeding van schade is evenmin plaats.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad evenmin termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bolt en

H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

Gdj