Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
08-4866 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Uitzondering op hoorplicht. De advisering als geschied in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts als zodanig niet een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid oplevert, als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Wel kan een dergelijk rapport nieuwe feiten of omstandigheden bevatten, die aanleiding geven om de belanghebbende nogmaals te horen. In dit geval is daarvan niet gebleken. Juiste medische beperpkingen in acht genomen.

Geschiktheid geduide functies. Signaleringen eerst in hoger beroep van toereikende motivering voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4866 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 juli 2008, 08/135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 oktober 2008 heeft het Uwv een commentaar van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden en bij brief van 8 januari 2009 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord door inzending van een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van gelijke datum.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Voor appellante is verschenen mr. L.E.I.K. Jaminon, kantoorgenoot van mr. Hilkens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 28 maart 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Nadat het Uwv bij besluit op bezwaar van 3 november 2005 het bezwaar ongegrond had verklaard en de rechtbank bij uitspraak van 24 juli 2007 appellantes beroep tegen dit besluit gegrond had verklaard en dit besluit had vernietigd – wegens, kort weergegeven, het feit dat de primaire arts niet als verzekeringsarts was geregistreerd – heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en heeft voorts geoordeeld dat appellante niet ten onrechte niet is gehoord op haar bezwaar en niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 december 2007, alvorens het Uwv het bestreden besluit nam.

4. Appellante is in hoger beroep gekomen met negen grieven tegen de aangevallen uitspraak. Deze grieven betreffen de hoorplicht in bezwaar, de vaststelling van haar medische beperkingen en de mate van zorgvuldigheid waarmee het Uwv dat heeft gedaan, en de medische geschiktheid van de geduide functies.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Appellante heeft als grief van procedurele aard aangevoerd dat zij voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet opnieuw is gehoord. Voor zover over de feitelijke gang van zaken in het overleg tussen het Uwv en de gemachtigde van appellante voorafgaande aan een eventuele hoorzitting al twijfel zou kunnen bestaan, overweegt de Raad, zoals hij eerder heeft overwogen, dat artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet een algemene verplichting inhoudt tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Dat neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Een zodanige situatie doet zich in dit geval echter niet voor. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante op 12 april 2005 reeds is gehoord met betrekking tot het samenstel van feiten en omstandigheden dat ook aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daarnaast heeft zij op 10 december 2007 het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts bezocht, waar zij haar medische bezwaren nogmaals naar voren heeft kunnen brengen en lichamelijk is onderzocht.

5.2. Voor zover appellante ook in hoger beroep heeft willen aanvoeren dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 december 2007 die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt overweegt de Raad dat volgens zijn vaste jurisprudentie de advisering als geschied in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts als zodanig niet een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid oplevert, als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Wel kan een dergelijk rapport nieuwe feiten of omstandigheden bevatten, die aanleiding geven om de belanghebbende nogmaals te horen. In dit geval is daarvan niet gebleken.

5.3. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv de beperkingen van appellante onjuist heeft vastgesteld. De Raad kan de overwegingen van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit in grote lijnen onderschrijven. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts appellante op zijn spreekuur heeft gezien en onderzocht en zich, rekening houdend met de over appellante beschikbare informatie uit de behandelend sector, een mening heeft gevormd over haar beperkingen. Deze mening heeft hij gemotiveerd en is niet strijdig met andere over appellante beschikbare medische informatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts gemotiveerd waarom hij geen aanvullende informatie over appellante bij de behandelend sector heeft opgevraagd. De Raad acht deze motivering voldoende. Daarbij heeft de Raad voorts in aanmerking genomen dat appellante geen nadere informatie van haar behandelaars heeft ingebracht die zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de medische beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts. In het licht van het bovenstaande heeft de rechtbank ook geen aanleiding behoeven te zien om een onafhankelijke deskundige te benoemen voor het verrichten van een medisch onderzoek.

5.4. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit moet er in beginsel van worden uitgegaan dat appellante in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies. Bij deze functies zijn evenwel door het Claimbeoordelings- en borgingssysteem, waarvan door het Uwv bij de schatting gebruik is gemaakt, enkele signaleringen geplaatst die zouden kunnen wijzen op overschrijding van de functionele mogelijkheden van appellante. Eerst met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 januari 2009 zijn deze signaleringen volledig toegelicht. Dit brengt mee dat het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt. Echter, nu het Uwv met evengenoemde rapportage alsnog heeft zorg gedragen voor een genoegzame motivering ziet de Raad aanleiding om gebruik te maken van zijn in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bolt en

H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL