Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
07-4716 WAO + 07-5762 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Bij nader besluit is herzieningsdatum gewijzigd in verband met uitlooptermijn. Kennelijke misslag (verkeerd arbeidsongeschiktheidspercentage) in uitspraak rechtbank waaraan de Raad geen consequenties verbindt. Zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Voldoende resterende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4716 WAO + 07/5762 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 juli 2007, 06/4372

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 24 juli 2007 heeft het Uwv, gevolg gevend aan de opdracht van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar genomen.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 februari 2009. Appellante en het Uwv zijn met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich in 1993 na de geboorte van een tweeling wegens lichamelijke en psychische klachten ziek gemeld voor haar werk als inpakster. Aan haar is met ingang van 26 september 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 16 december 2005 onderzocht door de verzekeringsarts. Deze heeft de beperkingen die appellante ondervond tot het verrichten van arbeid omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) die appellante gelet op haar in de FML omschreven belastbaarheid kon verrichten. Met die functies kon zij volgens de arbeidsdeskundige een zodanig inkomen verdienen dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedroeg.

1.2. Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 8 april 2006 ingetrokken. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2006 (hierna: bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen de intrekking van de WAO-uitkering gegrond verklaard en besloten de uitkering met ingang van 8 april 2006 voort te zetten, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft, kort samengevat, geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van het Uwv dat de aan appellante in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies in overeenstemming zijn met haar belastbaarheid. De rechtbank heeft evenwel het beroep gegrond verklaard en bestreden besluit 1 vernietigd omdat een nieuwe functie bij de schatting is betrokken waardoor niet de juiste uitlooptermijn in acht is genomen.

3. Bij besluit van 24 juli 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv de herziening van de WAO-uitkering in laten gaan per 18 september 2006. Nu dit besluit niet geheel aan het beroep van appellante tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep mede geacht te zijn gericht tegen dat besluit.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellante heeft in hoger beroep terecht aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak bestreden besluit 1 niet juist heeft weergegeven. Uit de aangevallen uitspraak blijkt evenwel dat de rechtbank de inhoud van de rapportages van zowel de bezwaarverzekeringsarts van 12 juni 2006 als de bezwaararbeidsdeskundige van 14 juli 2006, op grond waarvan het Uwv bestreden besluit 1 heeft genomen, expliciet in haar oordeelsvorming heeft betrokken. De selectie van een nieuwe functie door de bezwaararbeidsdeskundige, zonder aanpassing van de uitlooptermijn, was immers voor de rechtbank aanleiding bestreden besluit 1 te vernietigen. Dat in de aangevallen uitspraak als uitkomst van de schatting abusievelijk een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15 in plaats van 25 tot 35 is vermeld, beschouwt de Raad dan ook als een kennelijke misslag waaraan de Raad geen consequenties verbindt.

4.3. Het hoger beroep is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank over de medische en de arbeidskundige grondslag van de schatting. Naar aanleiding van hetgeen appellante heeft aangevoerd over de verzekeringsgeneeskundige beoordeling overweegt de Raad dat hij zich evenals de rechtbank kan verenigen met de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 12 juni 2006. De bezwaarverzekeringsarts is daarin uitvoerig ingegaan op de bezwaren van appellante en heeft zijn conclusies mede gebaseerd op recente inlichtingen van de huisarts van appellante. In zijn rapport van 12 april 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts voorts gereageerd op het beroepschrift van appellante van 5 april 2007 waarbij rapporten zijn overgelegd van de internist dr. B.A. de Planque van 18 december 1996 en van de zenuwarts dr. J.J.M. van Hoof van 10 juni 1997. Deze rapporten zijn destijds op verzoek van de rechtbank in een eerdere procedure over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 maart 1995 uitgebracht. De Raad ziet, gelet op het ontbreken van andersluidende medische gegevens, geen grond te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat deze rapporten zo gedateerd zijn dat zij niet meer relevant geacht kunnen worden voor de beperkingen per de datum die hier in geding is. De Raad is van oordeel dat aan de schatting een zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten grondslag ligt en ziet geen reden de uitkomst van die beoordeling voor onjuist te houden.

4.4. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de schatting overweegt de rechtbank dat de bezwaararbeidsdeskundige enkele van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies heeft laten vervallen. Aan de schatting liggen uiteindelijk drie functies ten grondslag, namelijk productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172), huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en inpakker (handmatig) (sbc-code 111190). In de rapporten van de arbeidsdeskundige en van de bezwaararbeidsdeskundige, nog aangevuld met een rapport van 13 april 2007, is naar het oordeel van de Raad in overeenstemming met de daaraan in de jurisprudentie van de Raad gestelde eisen gemotiveerd dat de belasting van de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

4.5. De Raad kan de stelling van appellante in hoger beroep dat het Uwv haar ten onrechte niet volledig arbeidsongeschikt heeft geacht, dan ook niet volgen.

4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt.

4.7. Met betrekking tot de grieven die appellante heeft aangevoerd tegen bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat niet gesteld noch gebleken is dat de gezondheidstoestand van appellante per 18 september 2006 in relevante mate anders was dan op 8 april 2006. Aan bestreden besluit 2 ligt dezelfde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling ten grondslag als aan bestreden besluit 1. Het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen bestreden besluit 2 is dan ook ongegrond.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 juli 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

CVG