Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
07-2204 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag. Geen sprake van pleegkinderen op peildatum. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op 1 april 1996 tussen appellant en de drie betrokken kinderen geen nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2204 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], Engeland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2007, 06/4102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellant noch zijn gemachtigde zijn daarbij, met voorafgaand bericht, verschenen.

De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluiten van 28 november 2000 en 11 juli 2002 heeft de Svb kinderbijslag geweigerd voor appellants dochter [F.] over het eerste kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1997 en voor zijn zonen [N.] en [I. ] over het tweede kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997.

1.2. Bij uitspraak van 2 september 2005 heeft de Raad de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 voor de drie kinderen. De Raad heeft daartoe overwogen dat gerede twijfel bestaat aan de afstamming van de kinderen, doch dat de Svb heeft nagelaten te onderzoeken of de kinderen als pleegkinderen in de zin van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) kunnen worden aangemerkt.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft de Svb een nieuw besluit genomen. Bij besluit van 27 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb bepaald dat appellant recht heeft op kinderbijslag voor [F.], [N.] en [I. ] over het derde kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997. De Svb heeft geweigerd kinderbijslag toe te kennen over het tweede kwartaal van 1996 onder de overweging dat de drie kinderen op de peildatum 1 april 1996 nog niet als pleegkinderen kunnen worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 27 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat, ongeacht het feit dat appellant feitelijk niet in de nabijheid van de kinderen verbleef, er op de peildatum 1 april 1996 sprake was van een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen hem en de betrokken kinderen. Hierdoor kunnen deze kinderen als pleegkinderen worden aangemerkt. Tevens is aangevoerd dat, alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, de Svb opnieuw een hoorzitting had moeten uitschrijven.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In geding is of appellant over het tweede kwartaal van 1996 recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van [F.], [N.] en [I. ]. Daarbij staat de vraag centraal of de kinderen op 1 april 1996, zijnde de peildatum van het tweede kwartaal van 1996, aangemerkt moeten worden als pleegkinderen van appellant, zodat voor hen op grond van artikel 7, eerste lid, van de AKW aanspraak kan bestaan op kinderbijslag.

4.2. Ingevolge artikel 7, elfde lid, van de AKW wordt een kind als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de drie kinderen in de hier van belang zijnde periode heeft onderhouden, zodat het geschil zich toespitst op de vraag of appellant deze kinderen als eigen kinderen heeft opgevoed.

4.2. De Raad heeft reeds vaker geoordeeld dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van een kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind. Daarvan kan eerst gesproken worden wanneer de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op 1 april 1996 tussen appellant en de drie betrokken kinderen geen nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld. Hij neemt daarbij in aanmerking dat appellant sinds 1979 in Nederland woont en dat de drie kinderen bij hun moeder in Pakistan verbleven. Appellant verbleef slechts eenmaal in de drie jaar gedurende zes weken in Pakistan. Gezien de afstand is het onmogelijk geweest voor appellant zich daadwerkelijk en voldoende te bemoeien met de opvoeding van de kinderen. Eerst op 13 juni 1996 zijn de kinderen in verband met gezinshereniging in Nederland aangekomen. De Raad concludeert dat op de peildatum 1 april 1996 feitelijk nog geen nauwe en exclusieve (opvoedings)relatie bestond tussen appellant en de kinderen nu hij niet in de gelegenheid is geweest om in een toereikende mate feitelijk gestalte te geven aan de opvoeding en begeleiding van de betrokken kinderen.

Het hoger beroep is dan ook in zoverre vergeefs ingesteld.

4.3. De grief van appellant dat de Svb ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden treft geen doel. In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de rechter, bij welke uitspraak de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Wel kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om belanghebbenden opnieuw te horen. Vaststaat dat de Svb, alvorens een nieuw besluit op bezwaar te nemen, in een brief van 22 november 2005 aan appellant enkele vragen heeft gesteld. Deze brief is gezonden aan de gemachtigde van appellant die vervolgens heeft getracht contact op te nemen met appellant. Mede vanwege het feit dat appellant inmiddels naar Engeland was vertrokken is eerst in januari 2006 het contact tot stand gekomen. Na beantwoording van de vragen door appellant heeft de gemachtigde de antwoorden doorgestuurd naar de Svb. Gemachtigde heeft daarbij verzocht eventuele vragen aan hem te richten. Vervolgens heeft de Svb bij brief van 18 januari 2006 wederom enkele vragen gesteld en eerst in juni 2006 de benodigde informatie ontvangen. Gemachtigde heeft hierbij aangegeven dat eventueel nog resterende vragen aan hem gesteld kunnen worden, doch van mening te zijn dat de feiten inmiddels duidelijk moesten zijn. Nu appellant dan ook herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren naar voren te brengen, waarbij geen nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen, kon in redelijkheid worden verwacht dat het opnieuw horen van appellant niet tot meer zou leiden dan een herhaling van reeds naar voren gebrachte bezwaren. De Raad oordeelt dat in dit geval een hoorzitting niet zou hebben kunnen bijdragen aan de besluitvorming, zodat niet ten onrechte is besloten deze achterwege te laten.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

IJ