Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
07-6564 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluit tot intrekking WAO-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6564 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 22 oktober 2007, 06/2689

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Bij besluit van 29 september 1994 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de aan appellante toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 november 1994 ingetrokken. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Bij brief van 30 januari 2006 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van zijn besluit van 29 september 1994.

2.2. Bij besluit van 31 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 24 september 1994 op basis van een advies van de verzekeringsarts, die in overleg met de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie was gekomen dat er geen sprake was van nieuwe medische feiten. Na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3. Appellante heeft ter ondersteuning van haar verzoek aangevoerd dat een verslag van een onderzoek dat de klinisch neuropsycholoog M.A.O. de Bijl (hierna: De Bijl) op verzoek van de rechtbank heeft uitgebracht in een procedure over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 10 mei 2003 nieuwe inzichten geeft over haar beperkingen, zoals die ook per 22 november 1994 al bestonden. Naar aanleiding van het rapport van De Bijl heeft het Uwv appellante alsnog met ingang van 10 mei 2003 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.4. Teneinde te beoordelen of sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft de bezwaarverzekeringsarts het medisch dossier bestudeerd, met inbegrip van het rapport van De Bijl. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat de aanwezige informatie geen aanleiding geeft om uit te gaan van nieuwe medische feiten of gewijzigde omstandigheden, nu het onderliggend medisch feitencomplex in 1994 hetzelfde is als in 2005 en de resultaten van het neuro-psychologisch onderzoek uit 1994 overeenkomen met de bevindingen uit 2005, op het punt van interferentiegevoeligheid na. De bezwaarverzekeringsarts kan zich verenigen met de visie van de primaire verzekeringsarts dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten.

4.5. Appellante stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van nieuwe medische feiten en niet slechts van een andere interpretatie van haar medische gegevens. In 1994 werd aangenomen dat (alleen) de geheugenfunctie slecht was. Uit het rapport van De Bijl blijkt dat niet alleen sprake is van cognitieve restverschijnselen na contusio cerebri, maar ook van auditieve prikkelovergevoeligheid en van gedragsmatige restverschijnselen. Nu is vastgesteld dat de beschadiging van haar hersenen en de restverschijnselen meer omvattend zijn dan waarvan men in 1994 is uitgegaan, en tot meer beperkingen leiden, zijn dit volgens appellante wel degelijk nieuwe feiten. Ter zitting van de Raad heeft appellante, samengevat, naar voren gebracht dat bij het onderzoek, voorafgaand aan het besluit van 22 september 1994, niet al haar klachten zijn onderkend.

4.6. Het Uwv handhaaft in het verweerschrift zijn standpunt dat geen sprake is van feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb en verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.7. De Raad is, alles overziende, tot het oordeel gekomen dat uit het rapport van De Bijl niet blijkt van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Er is hier geen sprake van nadere medische gegevens op basis waarvan een nieuwe diagnose zou zijn gesteld. Daar komt bij dat voor de stelling van appellante dat de bevindingen en conclusies van De Bijl over de toestand van appellante op 9 mei 2003 onverkort gelden voor de toestand per 22 november 1994, geen steun is te vinden in het rapport van De Bijl. Het onderzoek richt zich op de gezondheidstoestand van appellante op 9 mei 2003. De beperkingen worden stationair geacht vanaf 2000. Uit een, door De Bijl aangehaald, rapport van de neuropsycholoog A. Wulferink van 17 december 1996 blijkt dat een verhoogde interferentiegevoeligheid bij neuropsychologisch onderzoek in december 1996 nog niet was vastgesteld.

4.8. Tot slot merkt de Raad op dat hier evenmin de situatie aan de orde is zoals in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 21 september 2004 (LJN AR4180), waarin een door de toenmalige Raad van Beroep geraadpleegde medisch deskundige zijn eigen visie op de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene had gewijzigd.

4.9. Nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, was het Uwv bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 29 september 1994. Het Uwv heeft zijn besluit zorgvuldigheidshalve onderbouwd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.10. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

KR