Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
07-4475 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering wegens detentie. Aangezien de WAO ten grondslag was gelegd aan het besluit, wordt het besluit vernietigd. Onder de zinsnede “rechtens zijn vrijheid ontnomen” moet mede worden begrepen de situatie waarin de betrokkene in voorlopige hechtenis verkeert in afwachting van een strafrechtelijke procedure. Daaraan doet niet af dat in geval van voorlopige hechtenis nog geen onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden noch is van belang of de strafrechtelijke procedure uiteindelijk in een veroordeling eindigt. Rechtgevolgen worden in standgelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4475 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 juli 2007, 06/11860

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Namens appellante is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2. Bij besluit van 16 april 2004 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 24 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Blijkens een formulier Melding aanvang detentie is appellante op 24 mei 2006 gedetineerd. Bij besluit van 26 juni 2006 heeft het Uwv appellante bericht dat naar aanleiding van de vrijheidsbeneming haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juli 2006 wordt ingetrokken. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard, met verwijzing naar artikel 43, vijfde lid, van de WAO.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. De Raad stelt voorop dat het Uwv aan de intrekking van de aan appellante toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte artikel 43 van de WAO ten grondslag heeft gelegd. Van de zijde van het Uwv is desgevraagd toegelicht dat de WAZ-uitkering met ingang van 1 juli 2006 op grond van artikel 19, vierde lid, van de WAZ wegens detentie van appellante is ingetrokken. Nu het bestreden besluit niet op een juiste wettelijke grondslag berust en de rechtbank bij haar beoordeling die grondslag als uitgangspunt heeft genomen, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

4.2. De WAZ kent in artikel 19, vierde lid, een nagenoeg gelijkluidende bepaling als artikel 43, vijfde lid van de WAO. De Raad ziet daarin aanleiding te onderzoeken of er grond is de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de Raad dat vaststaat dat appellante in mei 2006 rechtens haar vrijheid is ontnomen en dat die vrijheidsbeneming op 1 juli 2006 meer dan een maand had geduurd. Het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering is naar het oordeel van de Raad in overeenstemming met artikel 19, vierde lid, van de WAZ genomen.

4.3. Appellante heeft aangevoerd dat de vrijheidsbeneming niet rechtens was, nu de raadkamer van de rechtbank Haarlem op 27 juli 2006 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de gevangenhouding van appellante heeft afgewezen en de onmiddellijke invrijheidstelling heeft bevolen, waarna een sepot is gevolgd. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 juni 2004 (LJN AP4680), moet onder de zinsnede “rechtens zijn vrijheid ontnomen” mede worden begrepen de situatie waarin de betrokkene in voorlopige hechtenis verkeert in afwachting van een strafrechtelijke procedure. Daaraan doet niet af dat in geval van voorlopige hechtenis nog geen onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden noch is van belang of de strafrechtelijke procedure uiteindelijk in een veroordeling eindigt. Daarbij is aangetekend dat de uitkeringsgerechtigde wiens voorlopige hechtenis eindigt in vrijspraak een schadevergoeding kan vorderen wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis. De grief van appellante dat de vrijheidsbeneming niet rechtens was, slaagt niet. Overigens staat vast dat appellante een schadevergoeding wegens het ten onrechte in hechtenis nemen heeft gevorderd, welke vordering, zoals namens appellante ter zitting van de Raad is verklaard, is toegewezen.

4.4. De Raad ziet gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen voldoende grond om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van €145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) M.C. M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

CVG