Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
06-3012 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering wachtgeld. Betalingen voortvloeiend uit een (voorlopige) WAO-uitkering. Vertrouwensbeginsel: geen sprake van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde schriftelijke toezeggingen. Omvang geding.

Wetsverwijzingen
Rijkswachtgeldbesluit 1959 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3012 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 april 2006, 04/2113 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministratie B.V.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is met ingang van 1 mei 1988 eervol ontslag verleend, in verband waarmee de minister hem bij besluit van 15 november 1990 wachtgeld heeft toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat gebleken is dat hij sedert 25 februari 2001 betalingen voortvloeiend uit een voorlopige uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt, welke inkomsten gekort dienen te worden op het wachtgeld. Appellant heeft nagelaten de minister van die inkomsten op de hoogte te brengen. Uit berekeningen is gebleken dat appellant gedurende de periode van 25 februari 2001 tot 1 oktober 2003 - de datum waarop de betalingen ingevolge de WAO zijn opgeschort - € 31.532,51 teveel aan wachtgeld heeft ontvangen, welk bedrag wordt teruggevorderd. Bij besluit van 13 februari 2004 is aan appellant meegedeeld dat de terugvordering wordt verhoogd met het bedrag van de loonheffing over 2003 en thans

€ 35.336,12 bedraagt. Na bezwaar is de terugvordering gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2004 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister bevoegd was tot terugvordering van het als gevolg van toedoen van appellant te veel uitgekeerde wachtgeld en voorts dat de minister in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

3. De Raad stelt allereerst vast dat de gemachtigde, tevens echtgenote van appellant op de ochtend van het onderzoek ter zitting telefonisch om uitstel heeft verzocht, daartoe stellende dat zij de uitnodiging voor de zitting eerst op dat moment had ontvangen. Nu die uitnodiging voor de zitting bij aangetekend schrijven van 16 december 2008 aan haar is verzonden, gaat de Raad aan die stelling voorbij. De Raad heeft het verzoek om uitstel dan ook niet gehonoreerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven omdat de rechtbank ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor de mondelinge behandeling en hij daardoor ernstig in zijn belangen is geschaad.

4.2. Blijkens de stukken is de mondelinge behandeling door de rechtbank op 16 februari 2006 op een verzoek van de gemachtigde van appellant van 13 februari 2006 uitgesteld. Daarna is een nieuwe zittingsdatum gepland op 7 april 2006 en heeft de gemachtigde van appellant per brief ingekomen bij de rechtbank op 5 april 2006 wederom om uitstel verzocht, vanwege de verslechterde gezondheidstoestand van appellant. Telefonisch is de gemachtigde gevraagd om nog diezelfde dag een medische verklaring omtrent de gezondheidstoestand van appellant te verstrekken. Daarop heeft de gemachtigde op 6 april 2006 aangegeven dat haar echtgenoot in het ziekenhuis verblijft en dat zij eerst op 7 april 2006 bij haar huisarts terecht kon voor een medische verklaring. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat inmiddels twee keer om uitstel is verzocht vanwege de gezondheidstoestand van appellant, maar dat geen inzicht wordt verschaft in wat hem mankeert en voorts dat met het verzoek om uitstel wordt gewacht tot het laatste moment. De rechtbank heeft daarop de behandeling van de zaak laten doorgaan.

4.3. De Raad ziet in deze gang van zaken geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak gelegen, nog daargelaten dat appellant wel heeft gesteld, doch niet nader onderbouwd op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad. De Raad wijst daartoe op artikel 14, vierde lid, van de Procesregeling Bestuursrecht, waarin staat vermeld dat een verzoek om verdaging van de behandeling ter zitting slechts wordt ingewilligd in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Aan dit laatste was niet voldaan, zodat de rechtbank door het verzoek om uitstel af te wijzen geen onjuiste beslissing heeft genomen. De Raad betrekt daarbij dat niet is gebleken waarom de gemachtigde van appellant niet namens hem ter zitting kon verschijnen.

5. Appellant heeft in hoger beroep zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Volgens appellant is aan zijn gemachtigde telefonisch meegedeeld dat het wachtgeld volledig zou worden doorbetaald zolang geen definitieve toekenning van een uitkering ingevolge de WAO had plaatsgevonden. De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde schriftelijke toezeggingen die aan de toepassing van artikel 17 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 in de weg zouden staan en verwijst naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen.

6. Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd heeft betrekking op de verrekening van het wachtgeld met (de terugvordering van) de voorschotten die op grond van de WAO zijn betaald en gaat de omvang van dit geding te buiten.

7. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.L.P.G. van Thiel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD