Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
07-2897 WAO + 07-2899 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Weigering WAO-uitkering. Rechtbank heeft medische grondslag onderschreven, maar besluit vernietigd i.v.m. onvoldoende motivering geschiktheid geduide functies. Alleen Uwv komt in hoger beroep. De medische grondslag valt buiten de omvang van het geding in hoger beroep. Geschiktheid geduide functies eerst in hoger beroep voldoende gemotiveerd. Instandlating rechtsgevolgen. 2. Intrekking voorschot. Beroep gegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2897 WAO + 07/2899 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2007, 06/1573 en 06/1574 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 september 2008 heeft appellant ter beantwoording van een hem door de Raad gestelde vraag een rapportage overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind van 24 september 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast. Voor betrokkene is verschenen mr. Schilt-Thissen voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 17 november 2003 uitgevallen voor haar werkzaamheden als verkoopster, aanvankelijk wegens griepklachten. Nadien heeft betrokkene haar linker sleutelbeen gebroken, is zij twee maal getroffen door een beroerte en heeft zij epileptische aanvallen doorgemaakt.

1.2. Op 9 november 2004 heeft betrokkene een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ondergaan. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek en alsnog verkregen informatie van de behandelend neuroloog van betrokkene C. Verhamme, is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), gedateerd 14 februari 2005, opgesteld, waarin de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van betrokkene zijn beschreven. Vervolgens is een arbeidskundig onderzoek verricht, waaruit is gebleken dat voor betrokkene passende functies zijn te duiden en dat het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene dient te worden gesteld op iets meer dan 5%. Op grond van de conclusies uit deze onderzoeken heeft appellant bij besluit van 28 april 2005 geweigerd aan betrokkene met ingang van 15 november 2004 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij een tweede besluit van dezelfde datum heeft appellant het met ingang van 15 november 2004 aan betrokkene toegekende en uitbetaalde voorschot op een WAO-uitkering met ingang van diezelfde datum ingetrokken.

1.3. Betrokkene heeft tegen beide besluiten van 28 april 2005 bezwaar gemaakt. Bij twee afzonderlijke besluiten van 28 september 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de beide besluiten van 28 september 2005 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat appellant (een) nieuw(e) besluit(en) moet nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts heeft zij een proceskostenveroordeling ten laste van appellant uitgesproken en bepaald dat het door betrokkene betaalde griffierecht aan haar dient te worden vergoed. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 14 februari 2005. Naar haar oordeel hebben deze artsen met de medische gegevens over betrokkene in voldoende mate rekening gehouden en blijkt uit die gegevens niet dat betrokkene meer of andere beperkingen heeft dan in de FML zijn aangegeven. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het besluit tot weigering van WAO-uitkering op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. De rechtbank is evenwel voorts van oordeel dat dat besluit niet zorgvuldig is voorbereid omdat de FML op een drietal aspecten een zogenoemde verstopte beperking kent, dat wil zeggen een toelichting die een beperking van de normaalwaarde inhoudt en waardoor een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene op die aspecten niet is gesignaleerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit tot weigering van WAO-uitkering ondeugdelijk is gemotiveerd omdat van de zijde van appellant niet voldoende is gemotiveerd dat de aan betrokkene voorgehouden functies voor haar geschikt zijn. In het verlengde van haar oordeel over het besluit tot weigering van WAO-uitkering is de rechtbank van oordeel dat het besluit waarbij het aan betrokkene uitbetaalde voorschot met ingang van 15 november 2004 wordt ingetrokken ook moet worden vernietigd omdat daaraan de grond is komen te ontvallen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank over de aan de orde zijnde beperkende toelichtingen op bepaalde aspecten van de FML. In het geval van betrokkene gaat het daarbij om de volgende toelichtingen:

- bij aspect 4.9.0 (frequent reiken tijdens het werk): links maximaal 450 keer;

- bij aspect 4.15.0 (frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk): links maximaal 150 keer;

- bij aspect 5.7.0 (boven schouderhoogte actief zijn): links laag frequent reiken boven schouderhoogte.

Appellant stelt zich op het standpunt dat de FML op de genoemde aspecten op de juiste wijze is ingevuld. In het voorliggende geval doet zich de situatie voor dat betrokkene aan haar linker zijde beperkingen kent maar aan haar rechter zijde niet. In zo’n situatie dient bij de invulling van de FML van de goede zijde te worden uitgegaan - om die reden is ten aanzien van genoemde aspecten geen beperking aanwezig geacht - en dient in de toelichting en de rapportage van de verzekeringsarts te worden aangegeven wat de (on)mogelijkheden van de beperkte zijde zijn. Betrokkene heeft een normaal functionerende dominante rechter arm en een licht beperkt gebruik van de linker arm. De verzekeringsarts heeft in de FML de mogelijkheden van de goede arm aangegeven en in de toelichting de beperking van de aangedane kant. Dit is, zo heeft appellant aangegeven, conform de werkinstructie voor de verzekeringsarts. Deze wijze van benadering geldt voor elk van bovengenoemde aspecten, zodat niet van een onjuist ingevulde FML of van verstopte beperkingen kan worden gesproken.

3.2. Voorts heeft appellant in hoger beroep een nadere arbeidskundige rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe van 4 augustus 2008 ingezonden, waarin de omvang van de maatgevende arbeid is heroverwogen en nader is vastgesteld op 32 uur per week in plaats van 35 uur per week. Dit nadere standpunt heeft appellant niet tot wijziging van het besluit tot weigering van WAO-uitkering gebracht omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene minder dan 15% blijft. Tot slot is in hoger beroep een nadere arbeidskundige toelichting gegeven op grond waarvan het standpunt wordt gehandhaafd dat de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies voor betrokkene in medisch opzicht geschikt zijn. Ter zitting heeft appellant gesteld dat met deze nadere toelichting thans een toereikende arbeidskundige onderbouwing is gegeven, zodat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit tot weigering van WAO-uitkering in elk geval in stand dienen te worden gelaten.

4. In haar verweerschrift heeft betrokkene aangegeven zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank over de verstopte beperkingen. Met een beroep op verwevenheid heeft zij de Raad verzocht om in hoger beroep ook een oordeel te geven over de ten aanzien van haar door appellant aangenomen medische beperkingen. Betrokkene is van mening dat haar klachten in onvoldoende mate door appellant zijn erkend en dat haar belastbaarheid erg is overschat.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. Ten aanzien van de omvang van het geding in hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008 (LJN BG1621). Zoals de Raad in deze uitspraak heeft uiteengezet geldt als uitgangspunt dat in beginsel de indiener van het hoger beroepschrift bepaalt waarover de rechter in hoger beroep een oordeel dient te geven. Een wederpartij die niet zelf hoger beroep heeft ingesteld, kan niet in het verweerschrift de rechtsstrijd uitbreiden door – zoals in dit geval – zich alsnog te keren tegen een oordeel van de rechtbank waarop het ingestelde hoger beroep – als gevolg van het feit dat de wederpartij geen hoger beroep heeft ingesteld – geen betrekking heeft. De Raad heeft een tweetal uitzonderingen op dit uitgangspunt geformuleerd. Het uitbreiden van de rechtsstrijd in hoger beroep door degene die niet zelf hoger beroep heeft ingesteld is – toch – mogelijk als:

1. sprake is van een zo nauwe verwevenheid tussen hetgeen de indiener van het hoger beroepschrift aan de orde heeft gesteld en hetgeen de wederpartij vervolgens in het verweerschrift aanvoert, dat de rechter het ene standpunt niet los kan beoordelen van het andere;

2. niet van de wederpartij gevergd kon worden dat deze zelf hoger beroep zou instellen. Dat is het geval als die wederpartij geen – zelfstandig – belang had bij het instellen van hoger beroep. De Raad is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat zich in het onderhavige geval niet een van die uitzonderingssituaties voordoet, met als gevolg dat hij geen oordeel kan geven over het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de medische beperkingen van betrokkene. Betrokkene had, om zo’n oordeel wel te verkrijgen, zelf hoger beroep moeten instellen.

5.2. Het besluit van 28 september 2005, waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 april 2005 tot weigering van WAO-uitkering met ingang van 15 november 2004 ongegrond is verklaard (hierna: bestreden besluit 1).

5.2.1. Met betrekking tot hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de invulling van de FML op de in dit geding aan de orde zijnde aspecten, overweegt de Raad dat hij zich achter het betoog van appellant kan stellen en het hoger beroep van appellant in zoverre doel treft. Hij tekent daarbij, onder verwijzing naar zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (onder meer LJN AY9971), van 23 februari 2007 (onder meer LJN AZ9148) en van 6 april 2007 (LJN BA2860), nog het volgende aan. Als de FML wordt ingevuld afgaande op de mogelijkheden van de niet-aangedane zijde zal bij de voorselectie van mogelijk aan de desbetreffende verzekerde te duiden functies een ruim aantal functies worden getoond. Gelet op de hierboven genoemde uitspraken van de Raad, zal vervolgens de arbeidsdeskundige, rekening houdende met wat de verzekeringsarts heeft aangegeven in diens rapportage en in de desbetreffende toelichtingen in de FML, per functie dienen te beoordelen of die functie werkelijk voor de desbetreffende verzekerde in medisch opzicht geschikt is te achten en hij zal deze beoordeling in zijn rapportage moeten weergeven en onderbouwen. In het voorliggende geval acht de Raad met de in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapportages hieraan voldaan.

5.2.2. De vaststelling dat bestreden besluit 1 pas in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke onderbouwing, leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank, zij het op andere gronden, bestreden besluit 1 terecht heeft vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

5.3. Het besluit van 28 september 2005, waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 april 2005 tot intrekking van het met ingang van 15 november 2004 aan betrokkene toegekende en uitbetaalde voorschot op WAO-uitkering ongegrond is verklaard (hierna: bestreden besluit 2).

5.3.1. Op grond van hetgeen de Raad heeft overwogen onder 5.2 moet worden vastgesteld dat het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 niet in rechte stand kan houden. De Raad zal derhalve, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, alsnog een oordeel geven over bestreden besluit 2.

5.3.2. Bestreden besluit 2 is gebaseerd op de vaststelling bij bestreden besluit 1 dat betrokkene met ingang van 15 november 2004 geen recht op WAO-uitkering heeft. Gelet op het onder 5.2 overwogene, acht de Raad hierin een draagkrachtige motivering gelegen voor bestreden besluit 2. Hetgeen betrokkene met betrekking tot laatstbedoeld besluit heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot het oordeel dat dit besluit niet in rechte stand kan houden, zodat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd en is bepaald dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (een) nieuw(e) besluit(en) op bezwaar moet nemen met inachtneming van die uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand blijven;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL