Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
07-6516 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Ziektewet omdat betrokkene hersteld is verklaard voor diens eigen arbeid. Betrokkene heeft geen nadere informatie uit de behandelend sector overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand op de datum in geding. Ook de Raad ziet geen reden te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6516 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2007, 07/1695 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Voor appellant is verschenen mr. Hoogenraad. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was sinds 4 september 2006 gedurende 40 uur per week via een uitzendbureau werkzaam als productiemedewerker bij [naam inlener]. Op 22 januari 2007 heeft appellant zich ziek gemeld wegens rug-, bekken- en hoofdpijnklachten. In het kader van deze ziekmelding heeft appellant op 6 maart 2007 het spreekuur van de Ziektewetarts M. Mirzoyan bezocht. Deze arts heeft appellant zowel lichamelijk als psychisch onderzocht, waarna hij appellant per 13 maart 2007 hersteld heeft verklaard voor diens eigen arbeid.

2. Bij besluit van 6 maart 2007 is aan appellant met ingang van 13 maart 2007 een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 23 april 2007.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant geen nadere informatie uit de behandelend sector heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand op de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de gedingstukken geen aanknopingspunt worden gevonden voor een bevestiging van het standpunt van appellant dat een urenbeperking geïndiceerd zou zijn.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van zijn arbeid. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk.

4.4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad ziet geen reden te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad voegt hieraan toe dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 23 april 2007 voldoende gemotiveerd heeft uiteengezet dat er geen aanleiding was voor het opvragen van nadere informatie bij de behandelend sector. Daarbij heeft de Raad voorts in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts toen ook al beschikte over de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts van 15 juni 2006. In aansluiting op hetgeen de rechtbank heeft overwogen merkt de Raad nog op dat voldoende aandacht is besteed aan de aard en de zwaarte van het werk van appellant. De Raad verwijst in dit verband naar de rapportages van de arts Mirzoyan en de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans van respectievelijk 6 maart 2007 en 23 april 2007.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

KR