Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
09-1051 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag. Afwijzing voorlopige voorziening: de genoemde punten, ook indien deze in verband worden bezien met de overige tekortkomingen van betrokkene, kunnen het verleende ongeschiktheidsontslag niet dragen. Voor het ontstaan van onwerkbare verhoudingen in de laatste weken voor het ontslag is in de gedingstukken geen aanknopingspunt te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1051 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen (hierna: verzoeker)

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2009, 08/2364 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 16 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2009. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, die zich liet bijstaan door J.F.M. Wilhelmus, werkzaam bij de gemeente Wageningen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door G. van Asperen.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 januari 2001 aangesteld als senior medewerker personeels- en salarisadministratie (hierna: PSA) bij de afdeling personeel en organisatie met een taakomvang van 32 uur per week. Ter gelegenheid van een reorganisatie is betrokkene per 1 januari 2004 1 op 1 geplaatst in de opnieuw beschreven functie van senior medewerker PSA. Vanaf 1 augustus 2004 is [teamleider] de nieuwe teamleider geworden. Deze teamleider heeft regelmatig met betrokkene over zijn functioneren gesproken en met betrokkene in 2005 en 2006 een functioneringsgesprek en een plangesprek gevoerd. In 2005 heeft betrokkene begeleiding gehad van een loopbaanadviseur in verband met de veranderde vraagstelling van de organisatie. Een in dat verband opgemaakt psychologisch rapport noemt communicatie als aandachtspunt en concludeert dat betrokkene voldoende geschikt is voor zijn functie zoals beschreven in de functiebeschrijving. In 2006 heeft betrokkene een cursus pensioenen en een cursus persoonlijk effectiviteit gevolgd.

1.2. Op 19 juli 2006 heeft de teamleider betrokkene geïnformeerd over het streven om te bezuinigen door het reguliere bulkwerk met betrekking tot de salarissen uit te besteden, kenbaar gemaakt dat de functie van betrokkene zeker zal veranderen en dat er in geval van uitbesteding naar verwachting geen passende functie bij de PSA voor betrokkene zal blijven. In het Formulier Functionerings-/Ontwikkelgesprek (hierna: FFO) van 11 oktober 2006 is onder meer vermeld, dat de PSA onvoldoende is meegegroeid met nieuwe ontwikkelingen en dat de PSA meer een vraagbaakfunctie met expertise zal moeten krijgen en meer zal moeten adviseren. Voorts zijn de persoonlijke, de generieke en de functiecompetenties benoemd en is vermeld in welke mate betrokkene hieraan voldoet; geconstateerd wordt dat de competenties van betrokkene gezien de ontwikkelingen niet aansluiten bij de vragen die hier aan de PSA worden gesteld. Betrokkene zal gaan uitkijken naar een andere functie.

1.3. Na tevergeefse onderhandelingen medio 2007 over een beëindiging van het dienst-verband is aan betrokkene na een daarop gericht voornemen bij besluit van 26 november 2007 met ingang van 1 december 2007 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), met toekenning van een bedrag van € 8.000,-, dat door betrokkene besteed kon worden aan outplacement en/of scholing. Bij besluit op bezwaar van 24 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard en het ontslag gehandhaafd.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 26 november 2007 herroepen en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat de ongeschiktheid van betrokkene onvoldoende was aangetoond en dat verzoeker zich te veel heeft laten leiden door de toekomstige functie.

2.1. Verzoeker is van mening dat de aangevallen uitspraak niet en het bestreden besluit wel in rechte kan stand houden. Het verzoek om een voorlopige voorziening is erop gericht dat verzoeker de aangevallen uitspraak niet hoeft uit te voeren. Uitvoering van de aangevallen uitspraak brengt mee dat betrokkene weer tewerkgesteld moet worden in zijn eigen functie. Verzoeker acht dit onaanvaardbaar, omdat hij geen vertrouwen meer heeft in het functioneren van betrokkene en er in de laatste weken voor het ontslag een onwerkbare situatie is ontstaan. Verzoeker heeft voorts bestreden dat betrokkene is beoordeeld met het oog op de toekomstige functie, en zijn standpunt gehandhaafd dat betrokkene ongeschikt is voor zijn (huidige) functie.

2.2. Betrokkene schaart zich achter de aangevallen uitspraak en ziet geen beletsel om terug te keren in dienst van de gemeente. Het lijkt hem wel beter om op een andere afdeling geplaatst te worden.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.3. Gelet op het feit dat uitvoering van de aangevallen uitspraak terugkeer in de ambtelijke dienst en wel in zijn eigen functie impliceert, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker wordt aangegeven een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter zal antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

3.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ook van de zijde van verzoeker is aangegeven dat op het functioneren van betrokkene wat betreft zijn inhoudelijke taken op het gebied van de salaris- en personeelsadministratie geen kritiek bestaat. De ongeschiktheid van betrokkene is volgens verzoeker gelegen in de wijze waarop betrokkene enkele andere, meer service-gerichte, taken verrichtte, met name het verzorgen van managementinformatie en het fungeren als vraagbaak op het gebied van pensioenen en sociale zekerheid (hierna: overige taken).

Beide partijen hebben ter zitting desgevraagd de omvang van de inhoudelijke taken en de overige taken van betrokkene feitelijk op 80%, respectievelijk 20% gesteld. Verzoeker heeft daarbij aangegeven dat het streven gericht was op een 60-40 verhouding, maar dat dit niet is gerealiseerd. De voorzieningenrechter constateert derhalve dat de door verzoeker aanwezig geachte tekortkomingen van betrokkene betrekking hebben op een beperkt deel van zijn totale taak.

3.5. In verband met de vraag voor welke functie de geschiktheid van betrokkene is beoordeeld overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.1. De gedingstukken laten zien dat de teamleider vanaf begin 2005 de veranderende vraagstelling van de organisatie en een accentverschuiving in betrokkenes taken aan de orde heeft gesteld. In dat verband is ook - aanvankelijk nog verkennend - gesproken over de daarbij behorende competenties, zoals dienstverlenend, proactief en communicatief zijn. In verband met de in het FFO van 11 oktober 2006 besproken competenties heeft verzoeker ter zitting meegedeeld dat het in 2005 ingevoerde competentiemanagement medio 2006 heeft geleid tot de vaststelling van deze competenties.

3.5.2. Verzoeker heeft in het FFO van 11 oktober 2006 goeddeels op grond van de uitkomst van de beschrijving van de mate waarin betrokkene beschikt over de genoemde competenties, de conclusie getrokken dat betrokkene niet geschikt is voor zijn functie. In dat FFO blijkt niet duidelijk welke functie-inhoud daarbij in aanmerking is genomen. Verzoeker heeft ontkend dat betrokkene bezien is naar de functie zoals deze na de mogelijke uitbesteding van het bulkwerk zou worden. Niettemin kan de voorzieningenrechter er niet aan voorbijgaan dat de functie van betrokkene volgens de beschrijving van 1 januari 2004 een overwegend technische functie was, waarbij de overige taken een bescheiden plaats innamen, en dat door verzoeker nadien gaandeweg meer het accent is gelegd op die overige taken en de daarbij behorende competenties in een mate dat ten tijde van het FFO van 11 oktober 2006 materieel sprake was van een gewijzigde functie-inhoud.

3.5.3. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 januari 2008, LJN BC2443) kan aan het bevoegd gezag niet het recht worden ontzegd, nieuwe accenten in een functie aan te brengen, die nieuwe eisen aan de bekleder van die functie stellen, maar daarbij dient dan wel aan de betrokkene een redelijke termijn te worden gegund om aan die eisen te gaan voldoen. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat aan betrokkene, onder meer gelet op de achtergrond van betrokkene en het - naar ook van de zijde van verzoeker is beklemtoond - kennisintensieve karakter van de overige taken, voldoende tijd is gegund om aan de gewijzigde functie-eisen en bijbehorende competenties te gaan voldoen.

3.6. Met betrekking tot de wijze van vervulling van de overige taken in 2006 en 2007 geven de gedingstukken geen goed inzicht in de omvang en ernst van de door verzoeker gestelde tekortkomingen. In meergenoemd FFO, dat een beoordeling geeft over het tijdvak van 22 december 2005 tot 11 oktober 2006, ontbreekt concrete kritiek op de wijze waarop betrokkene zijn overige taken vervulde. Gelet daarop valt niet goed in te zien dat betrokkene zozeer tekort is geschoten in de vervulling van deze taken dat dit ten grondslag kan worden gelegd aan het oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor zijn functie. Voor zover bij de beschrijving van de competenties in dit formulier wordt aangegeven dat betrokkene bepaalde competenties niet of nog onvoldoende bezit, dan is daarmee - naar het oordeel van de voorzieningenrechter - nog niet gegeven dat betrokkene duidelijk tekort is geschoten in de verrichting van taken.

3.7. In het ontslagvoornemen van 23 oktober 2007 wordt wel een aantal concrete punten genoemd waaruit het tekortschieten van betrokkene zou moeten blijken. Deels betreft het echter punten, waarvan onduidelijk is of deze eerder met betrokkene zijn besproken en als verbeterpunt aangemerkt en zo ja, of verbetering nadien is uitgebleven. Ten aanzien van de overige punten overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.7.1. De kritiek van verzoeker op de handelwijze van betrokkene in 2006 bij de pensioencursus en het aansluitende examen Pensioenadviseur acht de voorzieningenrechter terecht.

3.7.2. Het ernstige verwijt van verzoeker aan betrokkene in verband met de bezetting van de afdeling op 4 en 5 mei 2006 kan de voorzieningenrechter echter niet ten volle delen. In de gedingstukken is geen aanknopingspunt te vinden om betrokkene verantwoordelijk te houden voor de aan- en afwezigheid van de medewerkers van de PSA en een voldoende mate van bezetting. Een accentverschuiving in de taken van betrokkene kan niet - zonder duidelijke vastlegging - leiden tot een nieuwe verantwoordelijkheid die geheel buiten de bestaande taken ligt. De ernstige kritiek op de feitelijke afwezigheid van betrokkene op 4 en 5 mei 2006, nadat de directe aanleiding voor de toegekende vrije dagen te elfder ure was weggevallen, acht de voorzieningenrechter eveneens minder passend.

3.7.3. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd geraakt dat de kritiek van verzoeker op de wijze waarop betrokkene informatie aanleverde voor het management geheel terecht is. Weliswaar wordt door betrokkene het tekort hierin impliciet erkend, maar voor de voorzieningenrechter is niet komen vaststaan dat betrokkene de benodigde middelen voor een goede informatieverstrekking ter beschikking stonden en dat betrokkene zelf steeds verantwoordelijk was voor het ontbreken van die middelen.

3.7.4. Samengevat is de voorzieningenrechter van oordeel dat genoemde punten, ook indien deze in verband worden bezien met de overige tekortkomingen van betrokkene, het verleende ongeschiktheidsontslag niet kunnen dragen.

3.8. Voor het ontstaan van onwerkbare verhoudingen in de laatste weken voor het ontslag is in de gedingstukken geen aanknopingspunt te vinden. De adstructie die verzoeker daaromtrent ter zitting heeft gegeven, erop neerkomend dat betrokkene autonoom handelde en moeilijk was aan te sturen, heeft de voorzieningenrechter niet kunnen overtuigen. De voorzieningenrechter wijst erop dat betrokkene tot het einde van zijn dienstverband is blijven werken en dat er kennelijk geen aanleiding is geweest om verzoeker op enige wijze van zijn werkzaamheden te ontheffen.

4. De slotsom van al het vorenstaande is dat de voorzieningenrechter door hetgeen van de zijde van verzoeker naar voren is gebracht er niet van overtuigd is dat met een redelijke mate van waarschijnlijkheid de aangevallen uitspraak geen stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen.

5. De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verzoeker te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 19,10 aan reiskosten. De kosten van G. van Asperen komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien deze niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook niet kan worden aangemerkt als een deskundige als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 19,10 aan reiskosten, te betalen door de gemeente Wageningen.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2009.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) M.B. de Gooijer.

JvS

1603